Bijdrage Esmé Wiegman in het algemeen overleg Landbouw in ontwikkelingslanden.

donderdag 17 november 2011 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink met de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in een algemeen overleg met staatssecretaris Knapen van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Onderwerp:    Landbouw in ontwikkelingslanden

Kamerstuk:    32 605

Datum:             17 november 2011

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie is blij dat de vier pijlers van het kabinet -- toename van duurzame voedselproductie, betere toegang tot voeding van voldoende kwaliteit, verbeterde werking van markten en een beter ondernemersklimaat -- nauw aansluiten op de vijf sporen die in het vorige kabinet in 2008 zijn uitgezet door toenmalig minister Koenders. Mijn fractie had graag iets van een evaluatie en uit de vorige periode geleerde lessen gezien, om te bekijken hoe we verdergaan. Ik krijg graag inzicht in de resultaten van het vorige kabinet, en wat daarmee is gedaan in het nieuwe voedselzekerheidsbeleid. Ik noem als voorbeeld de geprezen hoge voedselprijs. Wat heeft de voedselcrisis van een paar jaar geleden ons nu geleerd over de plek waar de meerprijs van voedsel terechtkomt? Wij kunnen stellen dat dat

in elk geval niet bij de boeren is. In de brief wordt de samenwerking met het  Nederlandse bedrijfsleven meer dan eens onderstreept. De ChristenUnie plaatst daar een paar kanttekeningen bij. Ik noem allereerst het uitgangspunt dat landbouw gebaseerd is op levende natuur, en daarom geen gewone industrie is. Het vertrekpunt voor de ChristenUnie is dan ook de eigenheid van de regionale situatie van boeren. Deze centrale positie van de boer betekent dat boeren eigenaar blijven van wat zij doen, en dat dit niet in de handen ligt van de grote agro-industrie. Daarbij is de mogelijkheid om zelfvoorzienend te zijn van groot belang. Daarom moeten lokale boeren niet alleen hun eigen boterham kunnen verdienen, maar zouden zij ook gekoppeld moeten worden aan de productieketens. De ChristenUnie wil dat het kabinet zich inzet voor ontwikkeling van de lokale markt en vergroting van de lokale

werkgelegenheid. Daarvoor zijn goede scholingsmogelijkheden belangrijk. Een gedegen beroepsopleiding, die past bij de regio en afhankelijk is van de gewassen die geteeld worden. Lokale kennis met betrekking tot voedselteelt, verwerking en opslag kan waar nodig opnieuw geïntroduceerd worden. Ik hoor graag van de staatssecretaris dat hij het onderwerp kennis breder trekt dan de eigen kennisagenda. Bij lokale kennis moet ik gelijk ook denken aan de positie van vrouwen. Vrouwen zijn ontzettend belangrijk voor de lokale voedselvoorziening, maar verkeren nog altijd in een slechtere uitgangspositie dan mannen. Wat gaat de staatssecretaris doen om dit recht te zetten?

De brief wekt de indruk dat de samenwerking erop gericht is om de Nederlandse positie te versterken. Waar dat gelijk op gaat met de ontwikkeling van de arme regio's is dat natuurlijk een uitstekende inzet. Voor de ChristenUnie staat het recht op voedsel echter boven de Nederlandse concurrentiepositie. Nederlandse kennis kan overigens wel een rol spelen, bijvoorbeeld met betrekking tot zaadveredeling. Dat is iets waar ons land goed in is. Dat moet dan wel in een ondersteunende functie zijn. Daarom stel ik de scherpe vraag of het kabinetsbeleid zich richt op mensen die honger hebben, of toch eigenlijk in de eerste plaats op het Nederlandse bedrijfsleven. En hoe verhoudt de vraag uit de regio zich tot de Nederlandse inzet? Het belang van samenwerking tussen private partijen en overheden komt in elke pijler terug. De verwachtingen van deze publiek-private samenwerkingsconstructies (PPS) zijn hooggespannen, maar er is wel meer nodig dan enkel het noemen van het belang ervan. De kaders waarbinnen de PPS vorm moet krijgen zijn onvoldoende duidelijk, de huidige situatie is te veel versnipperd. Wat is de rol van het kabinet in financiering en sturing? Draagt de PPS direct bij aan armoedebestrijding en verbetering van de situatie van mensen die honger hebben? Wij zeggen ook hier: focus niet alleen op de Nederlandse bedrijven. De inzet van lokale bedrijven met een monitoringsrol voor de Nederlandse of Europese ambassades is net zo goed een mogelijkheid, en daarom moet Nederland zich ook binnen de Europese Unie (EU) sterk maken voor een concreet implementatieplan van het voedselzekerheidsbeleid. Is deze capaciteit voorhanden op de ambassades, en gaat de staatssecretaris zich hiervoor inzetten in Europa?

In de beleidsbrief komt het onderwerp water nagenoeg niet aan de orde, terwijl dat nauw samenhangt met landbouw. Nederland kan een belangrijke bijdrage leveren door de kennis over watermanagement. De pilotlanden voor voedselzekerheid vallen maar ten dele samen met waterprojecten zoals Water Mondiaal en Partners voor Water. Ik wil van de staatssecretaris weten hoe hij deze koppeling alsnog gaat maken.

Klimaatverandering wordt benoemd als probleem, maar er volgen geen concrete voorstellen om dit onderwerp op te pakken. Dit komt wel terug in de conclusies en het actieplan van de conferentie Landbouw, Voedselzekerheid en Klimaatverandering, maar van het kabinet zie ik geen concrete voorstellen. Hoe gaat de staatssecretaris deze onderwerpen oppakken? De APC-landen (African, Caribbean and Pacific Group of States) worden gedwongen om Economic Partnership Agreements (EPA's) te ondertekenen. Deze regulering van markttoegang is vaak niet voordelig voor de concurrentiepositie van alle

ontwikkelingslanden. Graag wil ik wat terugzien van de zogenaamde meer asymmetrische aanpak, zoals die ook door oud-minister Koenders werd voorgesteld. Graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

Voor meer informatie zie ook www.tweedekamer.nl.


Labels
Bijdragen
Esmé Wiegman

« Terug

Archief > 2011 > november