Bijdrage Cynthia Ortega algemeen overleg bedrijfslevenbeleid

donderdag 31 maart 2011 16:00

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Nederland is prima in staat om de internationale concurrentie aan te gaan, vooral door onze ligging en logistiek, innovatiekracht, rechtszekerheid en hoogwaardige arbeid. De ChristenUnie ziet in het aantrekken van innovatieve bedrijvigheid winst voor werkgelegenheid, een sterke economie en oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, zoals krimp. De ChristenUnie vindt de plannen van het kabinet een voorzichtige stap in de goede richting, maar wij zijn er nog lang niet. Want willen wij tot de top vijf van de wereld behoren op het gebied van de kenniseconomie, dan moet er ook worden voldaan aan een aantal voorwaarden, zoals verdere uitbreiding en verlenging van de kenniswerkersregeling, actiever oppakken van de rol van launching customer, inzetten op een Europees level playing field en een concrete aanpak van de regeldruk. Graag hoor ik van de minister wat zijn ambities zijn voor het realiseren van deze voorwaarden.

Juist na een periode van economische neergang, is investeren in bedrijvigheid en innovatie van cruciaal belang. Dat vraagt wel om langjarige zekerheid voor bedrijven als belangrijke factor, zowel nationaal als internationaal. Daar ligt voor ons een zorgpunt. Op welke manier zal de minister garanderen dat er sprake zal zijn van een overheidsbeleid dat consistent is en waarbij sprake is van continuïteit in de uitvoering? Dit is namelijk een cruciale voorwaarde om belangrijke investeringen te kunnen doen.

Het is belangrijk dat Nederland zich inzet voor een goed vestigingsklimaat, maar de afgelopen jaren is Nederland een aantal keren geconfronteerd met buitenlandse overnames van succesvolle bedrijven op Nederlands grondgebied. Voornamelijk bij het opdelen van deze bedrijven ontstaan grote problemen voor kennis en werkgelegenheid. Hoogwaardige kennis raakt hierdoor versnipperd. Hoe blijft Nederland aantrekkelijk voor buitenlandse bedrijven, niet alleen hoofdkantoren, maar ook R&D-afdelingen? Hoe kunnen wij een uitverkoop van Nederlandse bedrijven tegengaan? Als er sprake is van een overname, hoe wil de minister in de toekomst versnippering van kennis en werkgelegenheid aanpakken?

Rondom MSD-Organon is het nog onduidelijk of een deel van de onderzoeksbanen behouden blijft. Wat is de inschatting van de minister en wat heeft hij geleerd van de ervaringen rondom dit bedrijf?

Daarnaast moeten wij de aanwezigheid van grote buitenlandse multinationals in Nederland niet onderschatten voor de Nederlandse industrie en werkgelegenheid. Hoe ziet de minister de positie van deze bedrijven? Wat doet hij om vestiging en behoud van deze bedrijven te verbeteren?

Het is nu zaak om de financiële middelen dusdanig in te zetten dat er maximaal economisch rendement valt te behalen. Wat er al is gerealiseerd, moeten wij koesteren en voortzetten. Daarom vraag ik de minister om aandacht voor de financiering van de technologische topinstituten. Voor 2015 stelt de minister 1,5 mld. beschikbaar voor deze sectoren. Maar hoe zit het met de tussenliggende periode? Het wegvallen van de FES-gelden zal niet automatisch leiden tot voortzetting van initiatieven door het bedrijfsleven. Het risico bestaat dat succesvolle gouden driehoekinitiatieven wegvallen, wat ik als kapitaalvernietiging beschouw.

De R&D-uitgaven van grote bedrijven en het innovatieve mkb liggen op een aardig niveau. Het gaat nu juist om samenwerkingsverbanden die op onze topgebieden het verschil maken door nieuwe investeringen los te maken in gedurfde innovatie. In een werkbezoek aan het Bio Science Park in Leiden bleek ook dat steeds meer kenniswerkers terechtkomen bij het innovatieve mkb, maar dat kleinere bedrijven tegelijkertijd sterk afhankelijk zijn van investeringen van multinationals. Veelbelovende en groeiende bedrijven steunen zwaar op samenwerkingsverbanden zoals de topinstituten.

Eerder hebben wij het in de Kamer gehad over TI Pharma, maar ik wil ook graag van de minister horen hoe de voortgang is van TI-COAST. Als deze topinstituten wegvallen, wat zijn dan de alternatieven? Hoe ziet de overgang naar het nieuwe stelsel eruit? Hoe zit het dan met de buitenlandse bedrijven die ons vestigingsklimaat onder meer hebben beoordeeld op basis van toezeggingen, onder andere van deze topinstituten?

Is de minister met mij van mening dat wij ook in deze periode moeten zorgen dat deze instituten niet omvallen en is hij bereid te zorgen voor een financiële overbrugging, zodat een succesvolle transitie naar de topsectoren gewaarborgd blijft? Is het bijvoorbeeld mogelijk om het kasritme van de bezuinigingen te vertragen? Of kunnen de FES-middelen voor een deel worden gebruikt voor deze overbrugging? Graag een reactie daarop.

Daarnaast wil ik graag weten op welke manier de 1,5 mld. wordt toegekend aan de verschillende topsectoren. Is het de bedoeling dat het bedrijfsleven een stem krijgt in de toekenning van NWO- en TNO-gelden?

De minister heeft negen topsectoren benoemd. Nederland kan niet in alles excelleren. Op het gebied van technologische innovatie verschuift er overigens meer en meer naar internationale nichespelers in het mkb. Hoe ziet de minister deze structurele schaalverkleining in het bedrijfsleven?

Ook graag aandacht van de minister voor nieuwe dingen die ontstaan op het snijvlak van de topsectoren, de zogenaamde crosssectorale innovatie, waarover mevrouw Dijksma ook al heeft gesproken. Op welke manier wil de minister deze crosssectorale kansen stimuleren?

Overigens zitten de pausen van de topsectoren -- iedereen heeft het er al over gehad -- alle in dezelfde categorie: 60-plus en man. Dat gaat voor de komende tijd ook nog wel problemen opleveren, ook als wij bijvoorbeeld kijken naar de arbeidsmarkt. Waarom inderdaad geen vrouw om ook meer meisjes ertoe te brengen dat zij gaan kiezen voor dit soort beroepen?

Om de kenniseconomie te ontwikkelen, hebben wij goede mensen nodig. Veel werkgevers klagen dat opleidingen nauwelijks aansluiten bij de wensen van het bedrijfsleven. Belangrijk is ook het rapport van de commissie-Veerman. Wij moeten toe naar meer differentiatie en specialisatie in het hoger onderwijs. Dat geldt nadrukkelijk ook voor het hbo. Kernvraag is: zijn wij voldoende mensen aan het opleiden voor onze arbeidsmarkt? Het probleem is dat er al langere tijd onduidelijkheid is hoe differentiatie en specialisatie in het hoger onderwijs zullen worden toegepast.

Ondanks de recente kabinetsreacties zal er pas echt een verandering optreden als negatieve bekostigingsprikkels uit het systeem verdwijnen en al er juist meer komen voor profilering van kwaliteit en bekostiging daarvan. Kortom, het aanbod aan en de inhoud van de opleidingen moet beter worden afgestemd met het bedrijfsleven, dat moet worden aangemoedigd om meer te investeren in de opleidingen en in het aanbieden van stageplaatsen. Hoe wil de minister dat aanpakken? Welke rol kunnen de regionale TOA’s hier in de komende jaren spelen? Wat vindt de minister van de oproep van de FME om goede en bekwame mensen uit het bedrijfsleven binnen het mbo in te zetten om kennis over te dragen?

Tot slot. De minister wees in zijn brief op de toenemende schaarste aan grondstoffen, de klimaatverandering en de teruglopende biodiversiteit. Echter, voor de rest zie ik hierover niets terug in de thema's. Is de minister bereid …

 

De voorzitter: … om daar eens naar kijken?

 

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): … om biodiversiteit en ecosystemen het verbindende thema te maken in het beleid van de topgebieden?

 

Labels
Bijdragen
Cynthia Ortega

« Terug

Archief > 2011 > maart