Bijdrage André Rouvoet wetsvoorstel 'ruim baan voor talent' en kabinetsreactie commissie Veerman

maandag 21 maart 2011 15:00

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Het is goed dat wij vandaag weer uitvoerig kunnen spreken over het hoger onderwijs. Het gaat tenminste ergens over. Onderwijs, onderzoek en innovatie zijn onderwerpen die voor Nederland van levensbelang zijn. Ik zeg er meteen bij dat dit niet alleen is omdat het te maken heeft met de motor van de economie. Het hoger onderwijs ontwikkelt jongeren, het onderzoekt de werkelijkheid en het reflecteert op de samenleving. Ik ben het echter met iedereen eens dat er een hoop beter kan. Er is te veel uitval en er zijn nog te weinig contacturen, en dat terwijl het aantal studenten alleen maar groter zal worden. Het moet dus anders en de lat moet omhoog. Dat is een opdracht die niet alleen op het bordje van de staatssecretaris ligt. Instellingen en het bedrijfsleven moeten daaraan eveneens bijdragen. En ja, er mag ook meer eigen initiatief worden verwacht van studenten, ook als het gaat om de bekostiging van hun opleiding. Ik kom daar zo meteen nog even op terug. Ik maak wel de volgende opmerking aan het begin van mijn bijdrage. Ik vind het van belang dat wij over de voorstellen voor het hoger onderwijs spreken. Tegelijkertijd vind ik het jammer dat ik in de stukken van de staatssecretaris lees dat de volgorde van indiening van voorstellen vooral wordt bepaald door de vraag wat het meeste oplevert en waar wij de bezuinigingen het eerste kunnen weghalen.

Hij schrijft dat met zoveel woorden op pagina twee van de kabinetsreactie op het rapport-Veerman. Die zaken krijgen voorrang en dat betekent dat de financiële aspecten leidend zijn bij de verbetering van het hoger onderwijs. Dat vind ik wel jammer. We wachten de strategische agenda af. Ik hoop dat die echt in juni komt en dat de staatssecretaris dat vandaag bevestigt. Er zal nog heel veel meer besproken moeten worden.

            Ik begin met het wetsvoorstel ruim baan voor talent. Ik sluit mij kortheidshalve aan bij wat hier allemaal al gezegd is. Er zijn prima initiatieven zoals de Roosevelt Academy in Middelburg en university colleges. Studenten worden uitgedaagd om te presteren en er wordt hun veel geboden. Daar mag inderdaad ook wat tegenover staan. Uitgangspunt blijft voor mij wel dat voor een breed palet aan opleidingen in beginsel niet meer dan het wettelijke collegegeld wordt betaald en dat selectie daarbij niet aan de orde is. Voor initiatieven als de zonet genoemde mogen instellingen meer ruimte krijgen, ook wat ons betreft. Er zijn wel een paar voorwaarden. Deelname aan het residentieel onderwijs moet niet volledig afhankelijk zijn van de draagkracht van ouders oftewel er zal ook flankerend beleid moeten zijn om dit soort initiatieven mogelijk te maken.

            De tweede voorwaarde voor selectie en collegegelddifferentiatie is dat er een kwalitatief goede en brede basis is in het hoger onderwijs en in het onderzoek voor hen die niet in aanmerking komen voor dat intensieve residentiële onderwijs. Het laatste punt is dat er het nodige werk aan de winkel is. Daarover kom ik bij de reactie van het kabinet op het rapport-Veerman zeker nog wel te spreken.

            Ik ga in op de eerste voorwaarde op het punt van de collegegelddifferentiatie. Volgens dit wetsvoorstel kan het collegegeld vijf keer hoger uitvallen dan normaal. Ik wil eigenlijk wel klip-en-klaar van de staatssecretaris horen hoe het nu zit met het al dan niet opwerpen van een financiële drempel. Is er nu een drempel of niet? Hij zegt daar verschillende dingen over in de nota naar aanleiding van het verslag. Ik geloof dat de heer Van Dijk daar ook al uit geciteerd heeft. Eerst schrijft hij dat de verhoging van het collegegeld ertoe leidt dat de opleidingen in kwestie niet voor iedereen toegankelijk zijn. Kortom, niet de selectie, maar de financiën zijn een barrière. Zo ja, voor wie dan? Graag meer helderheid.

            Verderop stelt de staatssecretaris dat het denkbaar is dat de instellingen dispensatie gaan verlenen voor de verhoging van het collegegeld aan excellente studenten met ouders uit de lage inkomensgroepen. Een dispensatie als bedoeld kan studenten uit die doelgroep over de drempel helpen. Ik wil helderheid van de staatssecretaris. Hoe kijkt hij aan tegen de stelling dat niet de selectie, maar de financiën de drempel zijn? Hoe kunnen we er dan voor zorgen dat studenten die zich overigens kwalificeren, die horde of die drempel kunnen nemen?

            Dan kom ik op het punt van de harde knip. Ik pak een aantal punten maar even bij de kop. In de vorige kabinetsperiode was het minister Plasterk die eind 2008 in zijn nota "Naar een volwassen bachelor-master-structuur" stelde dat een substantiële uitstroom van wo-bachelors naar de arbeidsmarkt geen doel van beleid is. Door de Nederlandse regering is, zo stelde hij, er bewust voor gekozen, in het wo de master als eindkwalificatie te zien en dat uit zich onder meer in bekostiging tot en met de master, in de verplichte doorstroommaster en in het recht op studiefinanciering tot en met de master voor wo-studenten.

            In de huidige situatie zien werkgevers de wo-bachelor niet als arbeidsmarktrelevant. Studenten zelf zien de wo-bachelor evenmin als een uitstroommoment, zo blijkt uit onderzoek. Nu valt er over die harde knip veel te zeggen. Ik krijg de indruk, ook gelet op de inzet voor de masterfase, dat het huidige kabinet ook in dat opzicht een ander beleid gaat uitzetten. Ik denk ook aan het sociale leenstelsel. Wijzigt de staatssecretaris nu het beleid? Wordt een substantiële uitstroom van wo-bachelors nu wel een doel van beleid? Is de staatssecretaris van plan om de wo-bachelor wel arbeidsmarktrelevant te laten zijn? Hoe spoort dat dan met de opvatting van werkgevers en de studenten zelf? Of moeten we de keuzes vooral zien als financiële keuzes? Dat is wel relevant, ook voor de manier waarop we omgaan met die knip. Ik voel me geneigd om mee te gaan in de richting van een hardere knip, maar ik zie ook wel de vragen die de heer De Rouwe opwierp en die wel relevant zijn. Ik heb een antwoord nodig van de staatssecretaris. Hoe koppelt hij een en ander aan zijn visie op de wo-bachelor?

            Dan kom ik bij het rapport-Veerman en met name de kabinetsreactie daarop. Ik ben de commissie erkentelijk voor dat belangrijke rapport, niet alleen vanwege het onderwerp, maar ook omdat het een samenhangende visie geeft op de toekomst van het hogeronderwijsstelsel. Dat betekent ook dat we niet moeten gaan shoppen in de aanbevelingen en conclusies. Ik vind het belangrijk om aan het kabinet vanuit het perspectief van de ChristenUnie een aantal zaken mee te geven voor de verdere uitwerking van die aanbevelingen. Dan ontkom ik er niet aan, te beginnen met een opmerking over het financiële kader, de financiën.

 

De voorzitter: Voordat u dat doet, wil de heer Van Dijk u een vraag stellen.

**

 

De heer Jasper van Dijk (SP): Excuus, voorzitter. Ik heb nog een vraag over het vorige punt, want dat is natuurlijk interessant. De heer De Rouwe van het CDA zei: die harde knip kan soms te rigide zijn.

Is het wel zinvol als een student die een paar vakken nog niet gehaald heeft in zijn bachelor niet mag doorstromen naar zijn master, waardoor hij een jaar vertraging oploopt? Misschien krijgt hij daarna ook nog eens een studieboete opgelegd. Vindt de fractie van de ChristenUnie net als ondergetekende en de CDA-fractie dat je daar misschien iets flexibeler in moet zijn?

 

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat is de reden dat ik de formulering gebruikte dat ik "ertoe neig" om ook op dit punt te kijken naar Europa. Ik zie ook de aarzeling die door de heer Jasper van Dijk en de heer De Rouwe werd opgeworpen. Om die reden heb ik de staatssecretaris nu niet gevraagd met een keiharde knip te komen. Ik geef eerlijk toe dat ik hier nog wat over aarzel. Dit heeft te maken met de aarzeling die de heer Jasper van Dijk zelf ook voelt. Gelet op de kwaliteit van de master, maar ook het proces van doorstromen naar een andere master dan de doorstroommaster, zoek ik het echter wel in die richting. Ik wacht alvorens daar definitief een stellingname over in te nemen, eerst graag de reactie van de staatssecretaris af.

            Ik was gebleven bij het financieel kader van het rapport van de commissie-Veerman. De staatssecretaris stelde in de kabinetsreactie nogal ferm: het kabinet omarmt het rapport en niet de vraag of, maar hoe het rapport moet worden uitgevoerd is leidend voor het kabinet. Daarom vraag ik de staatssecretaris niet of, maar hoe hij werk gaat maken van de belangrijke aanbeveling van de commissie-Veerman dat substantiële investeringen noodzakelijk zijn om onze positie te midden van de internationale concurrentie te behouden en te versterken. Ook hier trek ik de vraag door niet of dat moet gebeuren, maar hoe. Ik vind het in de regeringsvoorstellen op geen enkel punt terug. Graag krijg ik alsnog een reactie op dit onderdeel van het rapport van de commissie-Veerman. Dat is wel van belang.

            De staatssecretaris stelt in de kabinetsreactie dat de keuze voor de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase en de langstudeerdersregeling samenhangen met de opgave van dit kabinet om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Ik heb het net al bij interruptie even aangekondigd, de staatssecretaris is voorbereid: hoeveel gaan deze maatregelen bijdragen aan die 18 mld.? Als hij dat aan mij kan uitleggen en daarmee meteen aan de minister van Financiën, dan hoeven we het spoeddebat van morgen misschien helemaal niet meer te voeren met elkaar.

            Ik maak een opmerking over matching en selectie. Er is al heel veel over gezegd. Ik kan er kort over zijn. Matching is wat mij betreft veel meer dan selectie. Het kabinet zet wel stevig in op selectie en ook de commissie-Veerman claimt die ruimte voor instellingen. Ik ben daar niet per se tegen, maar uit het rapport Ruim baan voor talent -- zoals ik al bij interruptie opmerkte bij de heer De Rouwe -- bleek al dat het nut van selectie aan de poort als instrument voor betere matching maar beperkt is. Het beperkt zich tot uitzonderingen. Bij de meeste opleidingen heeft dat geen voorspellende waarde. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegenaan?

            Goede matching blijft van belang. Verkeerde studiekeuze kostte bijna 6 mld., zo becijferde het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt al een keer. De staatssecretaris lijkt de keuze van de student vooral te willen sturen door studenten jaren na een foute keuze voor die achteraf foute keuze te straffen. Ik hoop wel dat bij de strategische agenda meer maatregelen worden aangekondigd die de student helpen bij het maken van een goede keuze. Dat lijkt mij veel effectiever en beter. Kan de staatssecretaris dat toezeggen? Volgens ons is daarmee nog veel winst te behalen. We moeten niet zozeer achteraf afrekenen, alswel er samen voor zorgen dat een student op de juiste plek begint. Terecht beveelt de commissie-Veerman aan dat het aandeel studentgebonden financiering kleiner zou moeten zijn. Ik zie uit naar de voorstellen die de staatssecretaris op dat punt in het kader van de nieuwe bekostigingssystematiek zal doen. Dan heeft hij deze opmerking alvast binnen.

            Het verhogen van de onderwijsintensiteit is ook belangrijk voor de fractie van de ChristenUnie, zoals ook te zien is in ons verkiezingsprogramma. Ik vraag de staatssecretaris wat zijn doelen op dat punt concreet zijn. Wat zijn de uitgangspunten en welke verbeteringen moeten er te zien zijn aan het einde van deze periode?

            De fractie van de ChristenUnie is het eens met de plannen voor een Associate degree. De staatssecretaris stelt dat er nu twee doelen mee gediend zijn en dat voor hem de arbeidsmarktkwalificatie van de Associate degree voor hem het meest wezenlijk is. Betekent dit nou dat hij het andere doel loslaat, hetgeen de HBO-raad het meer hybride karakter van de Associate degree noemt, namelijk het gegarandeerde instroomrecht in HBO-bachelor op een zodanig niveau dat deze opleiding na twee jaar kan worden afgerond? Laat hij dit varen en richt hij zich nu helemaal op de arbeidsmarktkwalificatie?

 

Meer differentiatie in het hbo. Ik ben het eens met de uitgangspunten. Ik stel een vraag die ook de MBO Raad en de HBO-raad opwerpen. De kwaliteit van de instroom op het hbo moet groter, maar hoe verhoudt zich dat tot het voornemen uit het Actieplan mbo om de opleidingsduur van mbo 4 te verkorten tot drie jaar? Wat betekent dat voor de aansluiting op het hbo?

Focus en massa in onderzoek. Daar kan ik een hoop over zeggen, maar dat ga ik niet doen. Het Rathenau Instituut heeft vorige week in haar rapport geconcludeerd dat de focus-en-massa-aanpak tot nu toe niets extra's oplevert. Ik krijg graag een reactie van de staatssecretaris op dat rapport; dat is de kortste manier om een heel lange alinea samen te vatten, en hij weet precies wat ik bedoel!

Mijn laatste punt betreft het bevorderen van de profilering van instellingen. Hogescholen en universiteiten doen er goed aan, zich te richten op waar ze echt goed in zijn in plaats van te proberen uit te blinken in een grote diversiteit aan opleidingen en faculteiten. Zo stond het ook in het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie: minder van hetzelfde en meer van het beste. Het komt terug in het rapport van de commissie-Veerman en in de reactie van het kabinet. Ook instellingen willen het wel, maar iemand moet de eerste stap zetten. En welke eerste stap gaat de staatssecretaris op dat punt zetten?

 

 

Labels
André Rouvoet
Bijdragen

« Terug

Archief > 2011 > maart