Bijdrage debat Uitbreiding Europese Unie

woensdag 23 oktober 2002 15:16

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Mijnheer de voorzitter. Het is wat je noemt de ironie van de geschiedenis: een historisch proces, gericht op vrede, welvaart en stabiliteit op het Europese continent, en daarom met een betekenis die de oprichting van de Europese Gemeenschappen in de jaren vijftig evenaart, nadert zijn voltooiing en Nederland, indertijd één van de motoren van de samenwerking, verkeert in een situatie van politieke instabiliteit, crisis en verwarring. Even dreigde zelfs het Europese belang opgeofferd te worden aan nationale kleingeestigheid en persoonlijke conflicten. Een harde lijn werd ingezet, ministers namen stelling en werden teruggefloten, er werd een koppeling gelegd met de hervorming van het landbouwbeleid en gedreigd met een veto, wat vervolgens weer werd gerelativeerd, maar de lijn bleef dat Nederland het eigenbelang zeer zwaar zou laten wegen: uitbreiding is mooi, maar het mag ons niet te veel kosten. De financiën vormen een relevant aspect, maar zijn niet doorslaggevend. In mijn beste Pools heet dat sinds gisteren ’’onacceptabel kortzichtig egoïsme’’. Het leek er zelfs even op dat stiekem werd gehoopt dat de Ieren de aandacht van de Nederlandse onmacht zouden afleiden, maar ook die werkten niet mee.

Gelukkig loopt het anders. Nadat het kabinet over zijn eigen brekebenen was gestruikeld, realiseerde men zich op de valreep dat men niet eens meer de positie had om te kiezen voor het isolement. De regering voegde zich alsnog naar de Europese Commissie en moest van de Tweede Kamer er de afgelopen dagen in Luxemburg het zwijgen toe doen. Het verbaasde mij wel om in het verslag van de Algemene Raad te lezen dat Nederland als eerste lidstaat het woord nam. Je moet maar durven! De conclusie moet zijn dat de positie van Nederland in Europa tijdens het kortstondige bestaan van het kabinet-Balkenende niet bepaald versterkt is. En dan zeg ik het vriendelijk; een blik in de buitenlandse kranten van de afgelopen dagen zegt genoeg.

De ChristenUnie is altijd een warm voorstander geweest van het streven naar uitbreiding van de Europese Unie met de Midden- en Oost-Europese landen. Het principe dat aan de Unie als waardengemeenschap ten grondslag ligt, namelijk om door middel van intensieve en verplichtende samenwerking de voorwaarden te creëren voor vrede, veiligheid, stabiliteit en welvaart in de lidstaten, verdient het om zo breed mogelijk op het Europese continent te worden toegepast. In die zin zeg ik met Geert Mak dat de uitbreiding een vorm van historische rechtvaardigheid is of, in de woorden van de regering, ’’het opheffen van een historische anomalie’’. Daar komt iets bij: als de finaliteit van de Unie ligt in de bestendiging van nationale staten als stabiele, democratische rechtsstaten – een stelling die ik twee weken geleden in het debat over de Staat van de Unie heb ingenomen – is het in eenieders belang om daarvoor in aanmerking komende landen daarvan niet uit te sluiten. Mag ik dit type overwegingen vatten onder de noemer van de moraliteit van de uitbreiding? In elk geval wint de aanduiding ’’Europa’’ als wij de Europese Unie bedoelen, met de voorziene uitbreiding beduidend aan legitimiteit!

Dit alles betekent niet dat wij blind zouden willen teken voor iedere uitbreiding. Morele overwegingen alleen zijn onvoldoende. Er zal voldaan moeten zijn aan een aantal voorwaarden, als we tenminste willen dat de Europese samenwerking ook op lange termijn de vruchten blijft afwerpen. En dan moet van déze uitbreiding toch gezegd worden dat het niet alleen de meest omvangrijke maar ook de best voorbereide is. Daarom ook meent mijn fractie mét Commissaris Verheugen dat iedere suggestie van uitstel – ik kijk naar de VVD-fractie – neerkomt op het ter discussie stellen van de afgesproken strategie. Dat zou, zeker in dit stadium, niet alleen hoogst onfatsoenlijk zijn, maar ook buitengewoon risicovol. Je wilt niet eens nadenken over wat je teweegbrengt in de landen die zich zulke enorme inspanningen in politiek en economisch opzicht hebben getroost, als we nu zouden zeggen: ’’Sorry, wij hebben er nog eens over nagedacht en willen toch nog wat extra tijd nemen.’’ Dat is dus geen optie.

Op de Eurotop in december valt de beslissing en de centrale vraag vandaag is of het oordeel van de Europese Commissie gedeeld wordt over de vraag of de kandidaattoetreders naar verwachting op het moment van toetreding aan de Kopenhagencriteria zullen kunnen voldoen. Niets minder, maar ook niets meer! Wel is natuurlijk waar dat de discussie over hervorming van het landbouwbeleid en van de structuurfondsen op volle kracht moet worden voortgezet. Het zou goed zijn, ook voor de Nederlandse boeren, als daarover in Kopenhagen óók stevige voortgang kan worden geboekt. De geannoteerde agenda voor de Europese Raad van morgen lijkt daar overigens geen ruimte voor te bieden. Los daarvan irriteert het mij dat de laatste alinea van de brief van de regering toch weer in termen van conditionaliteit lijkt te spreken. Dat is, zo zeg ik zeg tegen de regering, in strijd met de regerings-notitie ’’Europa in de steigers’’. Graag verkrijg ik een toelichting op die laatste alinea. Wat overigens de prijs van het ’’bekrompen provincialisme’’ van de VVD betreft – de term is van de heer Verhagen – vraag ik de regering om in te gaan op de kosten van niet uitbreiden of later uitbreiden. De prijs daarvan zal ook aanzienlijk zijn, dunkt mij. Mag ik de regering uitnodigen daar eens op in te gaan?

Laten we niet vergeten dat er sowieso nog een lange weg te gaan is: volgend jaar moet in alle vijftien lidstaten het Uitbreidingsverdrag worden geratificeerd, het Europees Parlement moet het goedkeuren en in veel toetredingslanden volgt een referendum. In een aantal landen, waaronder Polen, zitten daar nog lokale verkiezingen tussen waarin eurosceptische partijen goed lijken te gaan scoren. Kortom: je hoeft geen somberman te zijn om de stelling te verdedigen dat de race voor de kandidaattoetreders bepaald nog niet gelopen is, als de top van
Kopenhagen hun brengt waar zij zo vurig op hopen.

Van een andere orde dan de Kopenhagencriteria, maar wel relevant, is de vraag of de Unie klaar is voor deze uitbreiding. Daarover kunnen gerede zorgen bestaan. Ik ving onlangs de beeldspraak op van een restaurant dat geen gasten zou moeten uitnodigen alvorens de keuken op orde te hebben. Het probleem is echter dat we al tien jaar geleden de uitnodigingen hebben verstuurd maar verzuimd hebben om ons voldoende voor te bereiden en dat intussen de gasten op de stoep staan. De institutionele structuur is eigenlijk nog niet grondig veranderd sinds de ontstaanssituatie met de eerste zes lidstaten. Ik wil hiermee maar zeggen dat het werk van de Conventie van het allergrootste belang is.

Ik zei al dat de kandidaatlidstaten zich de afgelopen jaren geweldige inspanningen hebben getroost om aan de toetredingscriteria te voldoen. We hebben het hier over landen die in een betrekkelijk korte tijd de omschakeling hebben moeten maken van communistische, totalitaire staten naar democratische markteconomieën. De rapportages en de landenappreciaties laten zien dat er ronduit indrukwekkende prestaties zijn geleverd. Neem alleen al de, pakweg, 25.000 regelingen van het acquis communautaire die moeten worden overgenomen en geïmplementeerd: van de samenstelling van gehaktballen en de kwaliteit van het zwemwater tot het aantal kopieerapparaten in een publieke ruimte. Wie zou overigens met droge ogen durven beweren dat de huidige lidstaten zelf in alle opzichten voldoen aan de hoge eisen die we aan de kandidaat-toetreders stellen?
En dan heb ik het nog niet eens over het Stabiliteitspact. Laat ik tegelijk zeggen dat ik weinig behoefte gevoel om relativerend te spreken over de Kopenhagencriteria. Het is zaak en in het belang van de toekomst van ook een grotere Unie om die toets serieus te nemen. Dat geldt zeker voor de politieke criteria, maar ook voor de criteria die betrekking hebben op een concurrerende markteconomie.

Het is evident dat sommige landen ’’er nog niet helemaal zijn’’. Dat hoeft ook nog niet. Het gaat om het moment van feitelijke toetreding. Ik waardeer in dit opzicht de houding van de kandidaat-lidstaten. Natuurlijk zijn zij opgelucht door de besluitvorming van de Europese Commissie, maar ze weten dat er nog heel wat moet gebeuren. De toelichting van Commissaris Verheugen op wat heet ’’the Commission in its role as guardian of the treaties’’ was, wat mijn fractie betreft, zeer geruststellend. Het gaat dan om de monitoring, de actieplannen, de budgettaire en personele condities die geschapen zijn en, na toetreding, de vrijwarings-clausules.
Van de minister van Buitenlandse Zaken heb ik begrepen dat Nederland zich met betrekking tot die vrijwaringclausules op het standpunt stelt: toetreden ja, voorzover. Dat klinkt mij in de oren als een soort vertraagde infasering van het lidmaatschap. Sommige landen worden een beetje lid. De vraag is wat de Nederlandse regering nu meer aan zekerheden vraagt dan de Commissie al bood. Ik heb uit de stukken begrepen dat tijdens de Algemene Raad van gisteren is besloten tot precisering of verduidelijking van de vrijwaring-clausules, terwijl Nederland had gevraagd om een extra toets, om een aanscherping. Uit het verslag begrijp ik dat het van dat laatste in ieder geval niet is gekomen. Klopt dit? Graag krijg ik van de regering een toelichting op dit punt.

De klem waarin de regering zich bevindt, blijkt uit haar conclusies: zij stelt dat de Europese Commissie ’’een behoorlijk voorschot op de toekomst neemt’’... en stemt daar vervolgens mee in! De fractie van de ChristenUnie heeft meer vertrouwen in de afgesproken roadmap en in de mechanismen voor controle en monitoring en zij deelt op die grond met meer vrijmoedigheid de beoordeling van de Commissie van de situatie in de groep van tien en de daaraan verbonden conclusies over de toetreding. Dat geldt ook ten aanzien van Bulgarije en Roemenië: voor hen komt 2004 echt te vroeg.

Wat Turkije betreft: daar zijn in elk geval eerst verdere politieke hervormingen en verbeteringen op het vlak van de godsdienstvrijheid nodig. Voor ons blijft het de vraag of Turkije politiek, geografisch en cultureel überhaupt bij Europa hoort, maar hierover hoeven we nu het debat niet te voeren. Ten aanzien van de extra financiële en logistieke steun vraag ik de regering wat haar opvatting is dat ondanks eerdere steun volgens de Europese Commissie de afgelopen jaren weinig is verbeterd.

Wat Cyprus betreft onderstreep ik dat als dat land toetreedt, heel Cyprus toetreedt. Maar een belangrijke vraag is wel of bij het – met nadruk zeg ik: onverhoopte – ontbreken van een politieke oplossing voor de deling op het moment van toetreding voldaan is, ja, voldaan kan worden aan met name de acquiscriteria! Graag helderheid op dit punt, wat mijn fractie betreft vooral ook vanuit de gedachte dat hoe dan ook moet worden voorkomen dat Turkije Cyprus de facto in gijzeling zou kunnen houden.

Ten slotte een opmerking over de Roma. De problematiek van uitsluiting en discriminatie van deze bevolkingsgroep in Slowakije, Hongarije en Tsjechië mag niet worden onderschat, maar gegeven het feit dat deze schrijnende situatie niet binnen de politieke criteria van Kopenhagen valt, maar vooral een maatschappelijk, ernstig en schrijnend probleem is, vormt het geen belemmering voor toetreding. Sterker: toetreding zal naar onze overtuiging een belangrijke factor kunnen zijn bij het bestrijden van het probleem. Niet alleen zijn naar verwachting de Roma binnen de Unie beter af dan er buiten, maar het om deze reden buiten de deur houden van bepaalde landen zou het probleem wel eens drastisch kunnen verergeren. Dat zou niet in het belang zijn van de vrede, de stabiliteit en de welvaart op het Europese continent. En daar was het toch allemaal om begonnen.
Labels
André Rouvoet
Bijdragen

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Uitbreiding Europese Unie'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Archief > 2002 > oktober