Bijdrage debat initiatiefwetsvoorstel Dijksma (PvdA)

woensdag 18 juni 2003 14:37


Debat over initiatiefwetsvoorstel Dijksma (PvdA), bedoeld om convenant sponsoring in het onderwijs van een wettelijke basis te voorzien.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Twee collega's hebben hun maidenspeech uitgesproken: de heer Balemans op onderwijsgebied en mevrouw Eijsink. Het was een genoegen om naar beiden te luisteren, al waren er twee totaal verschillende insteken. Met mevrouw Eijsink heb ik afgesproken dat wij nog eens zullen spreken over haar laatste zin. Dan neem ik wel mijn eigen Bijbelvertaling mee.
Ik maak mevrouw Dijksma en haar secondanten complimenten voor het initiatiefvoorstel. Het recht van initiatief is een instrument in handen van de Kamer. Het is goed dat wij dat ook actief gebruiken. Dat is de afgelopen week al vaker gebeurd, al is dat niet altijd goed afgelopen. Mevrouw Dijksma heeft zich daardoor niet laten demotiveren.
Wij hebben kritisch naar haar voorstel gekeken. Het fenomeen van de sponsoring breidt zich steeds verder uit. Met de voorgestelde wet wil de indiener zich proactief opstellen en eventuele uitwassen van sponsoring voor zijn. Daar kunnen wij ons best wel iets bij voorstellen. Op zichzelf is het ook geen overbodige luxe, in een tijd dat reclame-uitingen in heel onze maatschappij steeds verder oprukken. Sponsorbelangen beïnvloeden beslissingen in allerlei sectoren of proberen dat in ieder geval. Dat hoeft niet altijd negatief te zijn, maar je moet je wel eens afvragen of wij dat zo wel willen. Dat geldt met nadruk voor het onderwijs, omdat onderwijs een overheidsverantwoordelijkheid is en naar onze mening ook dient te blijven.
In dat opzicht mag sponsoring in onze ogen voor het primaire onderwijsproces niet aan de orde zijn. Het zou ook niet nodig moeten zijn, want de overheid moet op een goede manier invulling geven aan haar verantwoordelijkheid, die zelfs in de Grondwet is vastgelegd. Onderwijs is een aanhoudende zorg voor de overheid. De portemonnee moet daarvoor open.
Ik las gisteren in het NRC-commentaar een heel aardige quote. “De oplossing is eigenlijk heel eenvoudig. In een samenleving die onderwijs serieus neemt en daarvoor ook wenst te betalen, zouden scholen geen behoefte moeten hebben aan sponsoring.”

Los van de financiering van het primaire onderwijsproces, waar de overheid uitdrukkelijk een taak heeft, zou sponsoring -- dat is ook de praktijk -- wel voor wat extra's kunnen zorgen, waar de scholen echt wat aan hebben. Dat kan heel plezierig zijn. Maar ook die extra's hebben kantjes die er in de praktijk toe kunnen leiden dat er verschillen tussen scholen ontstaan.

Wij weten het ook al uit de praktijk, het zijn toch veelal bepaalde scholen die sponsors kunnen aantrekken, soms ook door de samenstelling van de leerlingenpopulatie, de ouders en anderen die erachter zitten. En er zijn ook scholen, in sommige gevallen scholen met leerlingen met een achterstand, die veel moeilijker aan sponsors kunnen komen. In dat opzicht kunnen wij de gedachtegang van de indiener van dit wetsvoorstel dat je kritisch moet zijn bij sponsoring en dat je uitwassen moet voorkomen, heel goed volgen.
Toch zouden wij, ook gelet op het ongrijpbare van reclame en sponsoring, graag hebben gezien dat de indiener zich wat meer moeite zou hebben getroost om niet alleen de toekomstige omvang van de sponsoring in het onderwijs aan te geven, wat zij in de nota naar aanleiding van het verslag tamelijk uitvoerig gedaan heeft, maar ook de mate van beïnvloeding en de schadelijkheid daarvan. Daar hadden wij nadrukkelijk naar gevraagd, maar daar hebben wij eerlijk gezegd in die nota niet zoveel over terug kunnen vinden. Het enige wat zij aangeeft, is dat er heel veel geld in wordt gestoken en dat de sponsors dat niet in het luchtledige terecht willen laten komen. Dat is wel heel erg mager.
Dit brengt ons bij de kwintessens van dit wetsvoorstel, de noodzaak van het bieden van een wettelijke basis voor een convenant. Wij hebben hierover in de schriftelijke ronde een aantal indringende vragen gesteld en ik heb bij lezing van de antwoorden de indruk gekregen dat wij op een aantal punten wat langs elkaar heen praten. Wij kunnen proberen om dit nu recht te zetten. Ik zal een aantal punten noemen waarop ik graag een wat meer inhoudelijke reactie dan in de nota naar aanleiding van het verslag zou krijgen om een goed eindoordeel te kunnen vormen.
Is het bieden van een wettelijke basis voor een convenant ook staatsrechtelijk niet een wat vreemde figuur? Kleven er niet nadrukkelijk ook juridische bezwaren aan? Zulke bezwaren zijn een aantal jaren geleden behoorlijk uitvoerig in discussie geweest; het liep zelfs uit op een amendement van de heer Koekkoek, die als jurist de vinger nog eens nadrukkelijk legde bij de juridische consequenties hiervan. Maak je door een wettelijke status te verlenen aan een document dat mede is opgesteld door maatschappelijke partijen als schoolbesturen – er zijn ook nog andere te noemen, zoals educatieve uitgeverijen en de Consumentenbond – die partijen niet min of meer medewetgever? Ik heb de indruk dat mevrouw Dijksma dit enigszins wil ondervangen door een voorhangbepaling in de wet op te nemen. Op de wijze waarop schoolbesturen bij het opstellen van een convenant hun achterban consulteren, stelt de voorhang de minister in staat om zijn achterban, het parlement te consulteren, zo schrijft zij. Dit roept enige vragen en ook wel wat verbazing op, want de Kamer is natuurlijk niet de achterban van de minister. Er bevindt zich wellicht wel wat achterban in de Kamer, maar niet in die zin dat de Kamer de achterban van de minister zou zijn. Het zou misschien wel een nieuw licht werpen op de perceptie van mevrouw Dijksma van wat de Kamer is, maar dat kan ik me eerlijk gezegd niet voorstellen. Bovendien doet een eventuele correctiemogelijkheid achteraf voor het parlement niets af aan de oorspronkelijke medewetgevende activiteiten van die organisaties, waar ik echt bezwaar tegen heb. Deze medewetgevende taak behoort geheel bij het parlement te liggen.
Verder stelt mevrouw Dijksma desgevraagd dat deze constructie juridisch wél deugdelijk zou zijn. En dan heb ik het nog niet over de medewetgevende taak, maar over het feit dat er een convenant met koepelorganisaties wordt gesloten. Door in de wet naar een convenant te verwijzen kun je formeel nog steeds alleen die koepels aanspreken, de individuele scholen zijn er strikt genomen niet aan gebonden. Een koepelorganisatie neemt bij een convenant wel een maximale inspanningsverplichting op zich om haar achterban achter zich te krijgen, maar juridisch zijn de scholen niet in alle opzichten aan het convenant gebonden. De figuur die mevrouw Dijksma kiest, schiet dus wellicht het doel voorbij dat zij eigenlijk wil bereiken.
Als je nu toch enige wettelijke borging wilt bewerkstelligen en als je wilt voorkomen dat er bij sponsoring iets mis gaat, is er wat ons betreft naast een convenant – maar dat heeft natuurlijk geen wettelijke status – maar één mogelijkheid: de algemene maatregel van bestuur. Ik zeg niet dat wij het daarmee eens zijn, maar daar zouden wij ons nog iets bij kunnen voorstellen.

De heer Jan de Vries (CDA): Vindt de heer Slob dat wij met betrekking tot sponsoring van scholen kunnen volstaan met een convenant?

De heer Slob (ChristenUnie): In principe zou er volstaan kunnen worden met een convenant als in de praktijk blijkt dat het convenant uitwerkt op de wijze die is beoogd. Op het moment dat dit niet tot volle tevredenheid gebeurt en de vrees bestaat dat in de toekomst de sponsoring zal toenemen alsmede de invloed van bedrijven op terreinen die wij niet willen, moet er verdergegaan worden dan alleen het afsluiten van een convenant. Ik vind de figuur waarvoor mevrouw Dijksma kiest eerlijk gezegd wat vreemd. Ik kan mij meer voorstellen bij een algemene maatregel van bestuur.

De heer Jan de Vries (CDA): De heer Slob geeft een mooie theoretische beschouwing. Is hij van oordeel dat het convenant niet werkt en dat er dus reden is voor een algemene maatregel van bestuur? Is dat moment volgens hem al genaderd?

De heer Slob (ChristenUnie). Vindt de heer De Vries het goed dat ik mijn betoog afmaak en tot een tussentijdse conclusie kom? Daarin zal zijn vraag ook beantwoord worden.
Naar aanleiding van onze desbetreffende inbreng in het verslag antwoordt mevrouw Dijksma dat zij na wil denken over de vraag of een AMvB niet meer voor de hand ligt. Is dat ondertussen gebeurd? Wat heeft mevrouw Dijksma daarover te zeggen in haar eerste termijn?
Ik heb bekeken op welke wijze het een en ander geregeld zou kunnen worden in de wet en heb daartoe een amendement gemaakt. Ik ben er nog niet helemaal van overtuigd dat wij zo ver moeten gaan. De gedachtewisseling die wij daarover met elkaar hebben, zal bij ons tot een finaal oordeel moeten leiden. Met een algemene maatregel van bestuur is het redelijk eenvoudig om een aantal zaken dat nu in het convenant zit, in de wet op te nemen. Als er in de loop van de tijd nieuwe inzichten ontstaan, is het ook mogelijk om dat aan te passen. Dat biedt de Kamer ook de mogelijkheid om daarover met de minister in gesprek te gaan. Op die wijze zijn wij naar mijn mening zuiverder bezig dan wanneer het gebeurt via de figuur die nu wordt voorgesteld.
Het is ook de oplossing die de Raad van State aangeeft. De Raad van State zegt dat de regels voor het openbaar onderwijs en de bekostigingsregels voor het bijzonder onderwijs zoveel mogelijk dienen te worden vastgesteld bij wet of bij AMvB. Dat zijn de mogelijkheden die wij hebben.
Wij willen ook graag weten, hoe de sponsoring in andere landen uitwerkt en of dat al dan niet tot problemen leidt. Dat zou misschien wel eens verhelderend kunnen zijn voor ons eigen oordeel.
Dat brengt mij tot mijn slotopmerking in de eerste termijn. Morgen gaan wij verder met de behandeling van dit voorstel. Wij zijn zeer kritisch over sponsoring. Ik heb reeds gezegd dat wij niet alle sponsoring slecht vinden. Wij zouden het echter wel slecht vinden als sponsoring sluipenderwijs een plaats inneemt waar de overheid voor de volle 100% haar verantwoordelijkheid dient te nemen. Wij willen dat heel graag voorkomen.
Wij zijn er niet van overtuigd dat wij op dit moment het proces moeten verstoren door met een wettelijke onderbouwing van het convenant te komen. Er is nu net een nieuwe convenantperiode ingegaan en alle betrokken partijen hebben aangegeven dat zij echt willen proberen daaraan serieus inhoud te geven op grond van hetgeen zij de afgelopen jaren geleerd hebben. Als het echter wel moet gebeuren, geven wij de voorkeur aan een AMvB. Dat is op een hele goede manier te regelen. Dat is onze insteek op dit moment. Wij zullen morgen in de tweede termijn ons definitieve oordeel geven.

Mevrouw Vergeer-Mudde (SP): De minister heeft gezegd dat het convenant niet verbiedt dat sponsormiddelen worden ingezet voor het primaire proces, maar dan moet het wel extra's betreffen. De heer Slob heeft net het onderscheid gemaakt tussen het primaire proces en extra, maar de minister maakt dat onderscheid niet meer. Heeft de heer Slob behoefte aan een lijst met verduidelijkingen, een voorbeeldenlijst zoals voor de ouderbijdrage?

De heer Slob (ChristenUnie): Het is duidelijk dat er nog wat verschil in exegese is wat er onder het primaire proces moet worden verstaan. Het lijkt mij van belang dat de minister er morgen verduidelijking over geeft, want dat is een terechte vraag in haar richting. De overheid is er immers primair verantwoordelijk voor dat er goed onderwijs wordt gegeven. Daartoe moet zij voldoende financiële middelen bieden. Sponsoring mag nooit een ontsnappingsmogelijkheid zijn voor de overheid om van die verantwoordelijkheid een onsje af te doen.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De heer Slob komt morgen in tweede termijn met zijn oordeel. Hij zegt het nu nog niet zeker te weten. Bedoelt hij dat wij eerst naar structurele misstanden toe moeten en overtuigd moeten zijn van de wijze waarop sponsoring in het onderwijs is ingebracht? Wat kan hem overtuigen?

De heer Slob (ChristenUnie): Ik dacht dat ik dat al in mijn vragen had meegegeven. Het kan mij overtuigen als mevrouw Dijksma nog eens ingaat op de juridische voetangels en klemmen die ik zie aan de optie die zij heeft geboden. Ik krijg daarop graag een reactie. Ik wil van haar ook een reactie op de optie van een algemene maatregel van bestuur. Dan kijk je in de oplossingensfeer: als wij iets willen regelen, hoe zullen wij dat dan doen? Wij moeten daarover tot overtuigende conclusies kunnen komen.
Ik heb mevrouw Dijksma ook een vraag gesteld over de wijze waarop de sponsoring op dit moment verder indringt in de scholen en de mogelijke schadelijke gevolgen daarvan. Ik vind haar onderbouwing daarvoor in de nota naar aanleiding van het verslag en in de memorie van toelichting zeer mager. Dat is toch belangrijk. Naarmate je noodzaak daarvan beter inziet, word je ook enthousiaster om te proberen verder te komen in de oplossingsrichtingen.
Ik heb ook genoemd de wijze waarop het convenant nu loopt en de zekerheden of onzekerheden dat het goed of fout zal gaan. Op deze drie punten krijg ik graag een overtuigende reactie van de indienster van het wetsvoorstel.
Labels
Arie Slob
Fractie

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat initiatiefwetsvoorstel Dijksma (PvdA)'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Archief > 2003 > juni