Bijdrage Cynthia Ortega plenair wetsvoorstellen staatkundige vernieuwing

woensdag 14 april 2010 10:00

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Mevrouw de voorzitter. Gedurende het proces om te komen tot ontmanteling van de Nederlandse Antillen, heeft de fractie van de ChristenUnie keer op keer haar zorgen uitgesproken over het verloop van het proces. Zij deed dat niet vanuit een paternalistische houding, maar vanuit de overtuiging dat wij allen gelijkwaardige partners zijn in het Koninkrijk en gezamenlijk dan ook verantwoordelijkheid dragen. Een autonome status binnen het Koninkrijk vraagt, naast het inbouwen van allerlei zekerheden, het vertrouwen dat de landen zorgvuldig omgaan met hun zelfbeschikkingsrecht en zullen groeien naar volwassenheid.

De fractie van de ChristenUnie vindt dat met de voorhangende consensusrijkswetten voldoende waarborgen zijn ingebouwd om over te gaan tot ontmanteling van de Nederlandse Antillen. Het proces is, zoals voorzien door de fractie van de ChristenUnie, niet altijd van een leien dakje gegaan. Er was sprake van spanning, meningsverschillen en angstdemonstraties, maar ook van inspiratie, creativiteit en de wil en uitdaging om door te zetten. Juist deze dynamiek heeft ervoor gezorgd dat wij vandaag de consensusrijkswetten behandelen. Kritiek en weerstand houden politici scherp en genereren energie om verantwoorde keuzen te maken, vaak vanuit de overtuiging dat wij allemaal op onze eigen manier het beste voorhebben met de bevolking van de eilanden. Daarom vraag ik vandaag ook aandacht voor al die burgers op de verschillende eilanden die hun twijfels hebben, die het gevoel hebben dat hen autonomie en waardigheid worden ontnomen, die denken dat hun stem niet meer telt.

Er ligt een belangrijke politieke opdracht om hen mee te nemen en vertrouwen te geven voor de toekomst. Binnen het Koninkrijk moet sprake zijn van gelijkwaardigheid, van respect, van erkennen van elkaars culturele verschillen en deskundigheid. Daarop zou, wat mijn fractie betreft, bij het formuleren van een gezamenlijke toekomstvisie voor het Koninkrijk de nadruk moeten liggen. De bewindspersonen hebben de aanvaarding van mijn amendement tot wijziging van het Statuut met het oog op een mogelijk referendum ernstig ontraden. De redenen die hiertoe worden aangevoerd, zijn eerlijk gezegd onbegrijpelijk. Immers, niet in discussie is dat elk van de BES-eilanden het recht behoudt om te kiezen voor een onafhankelijke status binnen het Koninkrijk indien de bevolking van het betrokken eiland daarvoor kiest. Het kabinet heeft dit zelf toegegeven en meerdere malen bevestigd. Dit kan overigens ook moeilijk anders, omdat wij moeten rekenen met het handvest van de Verenigde Naties. Ik verwijs in het bijzonder naar artikel 73 van het hoofdstuk over de niet-zelfbesturende gebieden. Ik citeer: ″Leden van de Verenigde Naties die verantwoordelijkheid dragen of aanvaarden voor het bestuur van gebieden waarvan de bevolking nog geen volledig zelfbestuur heeft verworven, erkennen het beginsel dat de belangen van de inwoners van deze gebieden op de eerste plaats komen, en aanvaarden, als een heilige opdracht, de verplichting binnen het in dit Handvest vastgelegde stelsel van internationale vrede en veiligheid, het welzijn van de inwoners van deze gebieden naar beste krachten te bevorderen en, te dien einde: zelfbestuur te ontwikkelen, terdege rekening te houden met de politieke aspiraties van de volken en hen bij te staan bij de progressieve ontwikkeling van hun vrije politieke instellingen, overeenkomstig de bijzondere omstandigheden van elk gebied en zijn bevolking en hun verschillende stadia van ontwikkeling.″ Evenmin staat ter discussie dat er rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een rechtsgeldig referendum.

Ik spreek mij niet uit over de wenselijkheid daarvan. Ik wijs alleen op de mogelijkheid daartoe. Omdat de mogelijkheid bestaat, moeten wij er gewoon rekening mee houden. Zowel op Bonaire als Sint-Eustatius zijn er hiertoe voldoende aanwijzingen. Als er een referendum komt, dan moeten wij daarmee omgaan. Wij kunnen dit referendum gewoon niet negeren. Met andere woorden: de bewindspersonen kunnen mijn amendement dan wel ontraden, maar daarmee is een eventueel referendum nog niet van tafel. Mijn amendement is erop gericht dat wordt nagedacht over de wijze waarop hiermee moet worden omgegaan en dat dit niet pas op het moment zelf gebeurt. Voor de BES-eilanden geldt dat zij, indien alles volgens plan verloopt, na 10 oktober 2010 onderdeel worden van het grondgebied van Nederland.

Mijn amendement is op dat tijdstip dus niet meer op hen van toepassing. Wordt echter in de tussentijd een referendum gehouden en brengt de uitslag verandering in de plannen, dan staat ook een ding vast: de nieuwe verhoudingen tussen Nederland en de BES-eilanden moeten alsdan opnieuw vanuit het Statuut worden bezien. Wij kunnen het immers leuk vinden of niet, maar het VN-Handvest laat er geen misverstand over bestaan dat Nederland verantwoordelijkheid blijft dragen voor de BES-eilanden, tenzij zij zelf alle banden met ons land willen doorbreken. Ik verwijs hierbij naar het eerste deel van artikel 73, dat ik zojuist citeerde.

Als de bewindspersonen stellen dat het niet zo kan zijn dat het Statuut een verplichting schept om uit een referendum automatisch een voorstel voor een rijkswet tot wijziging van het Statuut te laten voortvloeien, dan lijkt mij dat elk doel te missen tegen de achtergrond van hetgeen ik zojuist heb uiteengezet. Wij moeten immers binnen de kaders van het Statuut oplossingen vinden voor de dan ontstane situatie. Precies daarom is mijn amendement niet alleen volstrekt op zijn plaats, maar ook naar zijn inhoud en strekking onontkoombaar, of je het nu aanneemt of niet. Ik heb er nogal wat woorden aan gewijd. Ik hoop dat de bewindspersonen hun reactie nog eens willen bekijken.

Ik wil daar nog één ding aan toevoegen. Hebben de bewindspersonen constructieve voorstellen om op een andere manier te regelen wat mijn fractie graag wil? Dan stelt mijn fractie zich ook constructief op. Het belang van de regeling is echter te groot om die maar in het vage te laten. De fractie van de ChristenUnie hecht er zeer aan dat de stem van de BES-eilanden goed blijft gehoord. De bewindspersonen hebben gezegd dat een bijzondere vertegenwoordiger niet past binnen onze Grondwet. Dat begrijp ik, maar het gaat hierbij wel om perifere eilanden die binnenkort bij ons grondgebied gaan horen. In het kader van de gezamenlijke toekomstvisie voor het Koninkrijk is het goed om, naast het zoeken van oplossingen voor het democratisch deficit van de autonome landen, ook aandacht te besteden aan dit signaal. Daarom dien ik de volgende motie in.

 

Motie

De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het stelsel van evenredige vertegenwoordiging geen garantie vormt dat de BES-eilanden in het staatsbestel van Nederland hun stem kunnen laten horen in zaken die hen aangaan, omdat zelfs de drie BES-eilanden gezamenlijk niet voldoende kiezers huisvesten om de kiesdeler te halen; overwegende dat democratische vertegenwoordiging in beginsel in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging het beste is gewaarborgd, maar dat aanvullingen daarop of bijzondere voorzieningen in afwijking daarvan denkbaar zijn met het oog op belangen van bijzondere minderheidsgroepen; overwegende dat gelet op soortgelijke problematieken verschillende Europese landen verschillende oplossingen hebben gekozen, onder meer in de vorm van specifieke gekozen vertegenwoordiger(s) van de perifere eilanden die tot hun grondgebied behoren in het nationale parlement; verzoekt de regering, in samenspraak met de BESeilanden te onderzoeken welke structuren en voorzieningen denkbaar zijn om te verzekeren dat de stem van de Nederlandse perifere gebieden (de BES-eilanden), in het staatsbestel wordt gehoord; verzoekt de regering, hiertoe onder meer de voor- en nadelen van een eigen, al dan niet toegevoegde, vertegenwoordiging in het parlement te onderzoeken en de Kamer daarover voor 1 september 2010 te informeren, en gaat over tot de orde van de dag.

 

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 31 (32213, R1903).

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Zowel bij de behandeling van de BES-wetten als de voor te hangen consensusrijkswetten heb ik vragen gesteld over het ontbreken van evaluatiecriteria. Mijn fractie hecht er zeer aan dat die criteria er zo spoedig mogelijk komen. De landen moeten tijdig weten waar zij op beoordeeld zullen worden. Vandaar de volgende motie.

 

Motie

 

De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat bij evaluatiebepalingen duidelijk behoort te zijn met welk doel een evaluatie plaatsvindt; overwegende dat heldere criteria voor een evaluatie vooraf kenbaar gemaakt moeten worden; van mening dat in de wetsvoorstellen, 32017, 32018, 32019, 32020, 32026, de evaluatie onvoldoende ingevuld wordt en dat doel en richting van de evaluatie niet zijn geformuleerd; verzoekt de regering, de evaluatiebepaling duidelijk in te vullen door de Kamer voor 1 september 2010 te informeren over het doel van de evaluatie en de evaluatiecriteria die gebruikt zullen worden, en gaat over tot de orde van de dag.

Labels
Bijdragen
Cynthia Ortega

« Terug

Archief > 2010 > april