Bijdrage Gert-Jan Segers aan het algemeen overleg Wmo

woensdag 26 juni 2019 00:00

Bijdrage Gert-Jan Segers aan een algemeen overleg met minister de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Kamerstuknr. 29538

De heer Segers (ChristenUnie):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. We zijn nu vierenhalf jaar onderweg met de Wmo. Dit is een belangrijke wet die zorgt voor zorg dicht bij huis en die ervoor zorgt dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Daarbij is een belangrijke rol voor de gemeenten weggelegd. Tegelijkertijd blijft de Minister systeemverantwoordelijke en is het goed dat we hier spreken over resultaten.

Als eerste wil ik het cliëntervaringsonderzoek over de Wmo naar voren brengen. Je ziet een positieve ontwikkeling tussen 2016 en 2018. Dat is mooi. Maar tegelijkertijd geven de laatste cijfers ook aan dat we er nog niet zijn en dat er wellicht sprake is van verslechtering. Als slechts vier op de vijf mensen tevreden zijn over de ondersteuning die ze krijgen, gaat er iets niet goed. Het is in ieder geval een percentage dat omhoog moet. In het bijzonder wil ik aandacht vragen voor het belang van het samen zoeken naar oplossingen: het keukentafelgesprek. Als 25% van de cliënten aangeeft dat zo’n keukentafelgesprek niet tot een dialoog leidt, gaat er echt iets mis. Graag een reactie daarop.

In zijn brief over Merkbaar Beter Thuis geeft de Minister aan dat hij de tweede helft van dit jaar het land zal ingaan om samen met bestuurders van de VNG, wethouders en andere betrokkenen de belangrijkste knelpunten en verbeteropgaven te bespreken. Mijn vraag is of hij hierbij ook de cijfers van het cliëntervaringsonderzoek die ik net noemde wil meenemen om te zien hoe de cliëntwaardering verbeterd kan worden. Dan kom ik bij het resultaatgericht werken. Daarover zijn al veel vragen gesteld en ik wil er ook een paar vragen over stellen. Mijn fractie vindt het goed dat de Minister maatregelen neemt om de rechtszekerheid te borgen door aan de beschikking een ondersteuningsplan toe te voegen dat door aanbieder en cliënt samen is opgesteld. In hoeverre denkt hij dat daarmee de bezwaren van de Centrale Raad van Beroep zijn weggenomen? Denkt hij dat hij daaraan tegemoet is gekomen? Als we dit goed uitwerken, heeft een cliënt volgens mij meer zekerheid bij een ondersteuningsplan dan bij het precieze aantal uren dat geleverd wordt. Je hebt meer aan de resultaten dan aan het precieze aantal uren; dat zei ik net al in een interruptie met collega Hijink. Uiteindelijk gaat het om het resultaat. Bij decentralisatie hoort bovendien dat we de gemeenten ruimte geven voor een eigen invulling. Maar er is een grote zorg van cliëntenorganisaties, namelijk dat gemeenten de resultatenbeschikking als een bezuini-gingsmogelijkheid zien. Is de Minister bereid om, wellicht binnen de monitor abonnementstarief, de verschillen te monitoren tussen gemeenten die beschikken in uren en gemeenten die beschikken op resultaat?

De voorzitter:

Meneer Segers, voor u verdergaat, geef ik het woord aan meneer Hijink die daar wat over wil vragen.

De heer Hijink (SP):

Dan gaan we toch nog even door op de discussie van zonet. Ik heb het lijstje van KPMG. Die heeft voor veel gemeenten opgeschreven wat «een resultaat» is. Dan lees je bijvoorbeeld dat ramen wassen op de slaapkamer vier keer per jaar moet. De heer Segers zei daarnet «wij willen geen lijstjes en bureaucratie», terwijl dat het precies is. De Minister voegt aan dit lijstje eigenlijk nog wat toe. Hij zegt dat je niet alleen de handeling, maar ook de frequentie moet vastleggen. Misschien wil diegene dat helemaal niet, maar dat moet allemaal in dat plan worden opgeschreven. Dat is toch juist de extra bureaucratie die je niet wilt? De heer Segers zegt net dat het moet gaan om vertrouwen. Dan moet je dit soort ellende gewoon allemaal door de shredder gooien en in goed overleg doen wat nodig is. Dat is toch vertrouwen?

De heer Segers (ChristenUnie):

Maar als er dan bezwaren zijn en er komen rechtszaken? Er worden bezwaren aangetekend en daaraan wordt tegemoetgekomen. Dan vind ik het heel logisch dat de Minister een stap zet en zegt dat hij dan een plan wil waarmee hij één stap verder zet. Ik denk dat als je het precieze aantal uren gaat invullen je veel meer met bureaucratie bezig bent en veel minder cliëntgericht bent dan wanneer je zegt: dit zijn de resultaten die we willen boeken, dit is het schone huis dat we nodig hebben en dit is de aandacht die de cliënt verdient. Dan gaat het om resultaten. Ik vind het veel mooier en het doet ook meer recht aan de vrijheid die we de gemeenten geven als we het resultaat centraal stellen en niet het aantal uren.

De heer Hijink (SP):

Het is nu net of de positie van de gemeente centraal staat. Centraal hoort te staan: de positie van de cliënt, van de ouderen en de mensen met een beperking die zorg en ondersteuning nodig hebben. Die hebben geen enkel belang bij een uitgebreid boekwerk waarin staat dat vier keer per jaar de ramen van de slaapkamer – en volgens mij geldt dat ook voor de woonkamer – gewassen moeten worden. Wat heb je aan een stuk papier waar dat op staat, als de ramen niet meer gelapt worden op dat moment in de week waarop jij ze graag gelapt wil zien? Waar blijft dan die flexibiliteit? Waar is dan het onderling vertrouwen om er op een goede manier samen uit te komen? Dat heb je dus wel als je weet dat een x-aantal uren beschikbaar is. Nee, je hoeft niet altijd de logeerkamer te stofzuigen, maar wel op het moment dat ik logés verwacht. Dat is toch precies de kern van het werk dat deze mensen doen?

De heer Segers (ChristenUnie):

Maar een aantal uren maken omdat dat aantal uren nu eenmaal is opgegeven, is even bureaucratisch. Ik heb de Minister gevraagd om te kijken of je het verschil tussen de gemeenten kunt monitoren, om eens te kijken naar de gemeenten die verschillend beschikken. Hoe werkt dat uit? Zit er een vorm van ongelijkheid in? Dat lijkt mij nuttig. Dus ik ben benieuwd naar het antwoord van de Minister. Laten we daar eens naar kijken. Ik zou zeggen: resultaat voorop, gemeentelijke vrijheid en die keukentafelgesprekken. Er valt heel veel te verbeteren. Maar ik zie echt niet in dat door het aantal uren te preciseren alle problemen zijn opgelost. Mevrouw de voorzitter. Naar aanleiding van een brief van de cliëntenorganisaties wil ik vragen waarom er sprake is van een vrij scherpe daling van het aantal pgb’s. De zorg is dat het resultaatgericht indiceren haaks staat op de pgb’s, omdat je bij pgb’s in uren rekent en bij resultaatgericht indiceren niet. Dus de zorg is dat dit een reden is waarom het aantal pgb’s afneemt. Als dat uiteindelijk de vrijheid van de cliënt beperkt, zou dat jammer zijn. Graag een reactie hierop.

De Wmo biedt gemeenten al de mogelijkheid om langlopende beschikkingen af te geven in combinatie met periodiek onderzoek. Met het ondersteuningsplan wordt dit straks nog makkelijker. Tegelijkertijd worden er nog te weinig langlopende beschikkingen gegeven. Hoe wil de Minister gemeenten hiertoe stimuleren? Graag een reactie op wat we hoorden over de gemeenten Eindhoven. Ik geloof dat collega Geluk daar ook al aan refereerde. Er staan daar 1.500 mensen op de wachtlijst en dat is toch vrij zorgelijk.

Tot slot, mevrouw de voorzitter, heb ik een paar vragen over geestelijke verzorging. Mijn fractie is blij met de voortgangsbrief over geestelijke verzorging en levensbegeleiding. Hieruit spreekt dat er voortvarend werk wordt gemaakt van geestelijke verzorging in de thuissituatie en dat er serieus wordt gekeken naar de financiering daarvan na 2022. We hebben een lange aanloopfase gehad, waarbij financiële middelen ook zijn doorgeschoven naar latere jaren. Ik hoop dat we dit jaar echt resultaten kunnen boeken en de eerste opbrengst kunnen zien. Kan de Minister aangeven of alle Netwerken Palliatieve Zorg aan de slag zijn gegaan met geestelijke verzorging?

In ons ideaalplaatje zorgen we voor een landelijk dekkend netwerk van geestelijk verzorgers, waarbij kruisbestuiving kan plaatsvinden en geestelijk verzorgers zowel in de wijk als in instellingen werken. Juist in deze pioniersfase hebben we de kans om schottenvorming te voorkomen. Is de Minister dit met mij eens? Wil hij dit meegeven aan de stuurgroep en vragen om hiervoor opties uit te werken?

Het is de bedoeling dat er vanaf 2021 op structurele wijze financiering komt voor geestelijke verzorging in de thuissituatie. De middelen zijn beschikbaar, nu de uitwerking nog. De geestelijk verzorgers worden vaak ingeschakeld door de Netwerken Palliatieve Zorg. Wat vindt de Minister van deze optie? Kan hij aangeven op welke plekken in het land er nog witte vlekken zijn?

En dan zet ik een punt, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Mooi, bijna precies vijf minuten. Dank u wel, meneer Segers.

Meer informatie

Labels
Bijdragen
Gert-Jan Segers
Zorg, Welzijn & Sport

« Terug

Archief > 2019 > juni