Bijdrage Nico Drost aan het plenair debat inzake de Wet straffen en beschermen

donderdag 20 juni 2019 00:00

Bijdrage Nico Drost aan een plenair debat met minister Dekker voor Rechtsbescherming

Kamerstuknr. 35112

De heer Drost (ChristenUnie):
Dank u, voorzitter. De overheid heeft een eigen roeping en verantwoordelijkheid. Zij is geroepen recht te beschermen en onrecht te bestrijden. Zij waakt over de ordening van de samenleving en het gemeenschappelijk belang. Zij beschermt het kwetsbare en de kwetsbaren.

Voorzitter. Deze passage over publieke gerechtigheid uit het beginselprogramma van de ChristenUnie, mooi leesvoer, bevat voor de ChristenUnie drie pijlers voor een rechtvaardige strafrechtketen. Dat is het bestrijden en bestraffen van onrecht, het beschermen van de samenleving en daarmee dus ook het voorkomen van recidive, en het bieden van ruimte voor resocialisatie en herstel. Aan deze drie pijlers toetst mijn fractie dit wetsvoorstel.

Voorzitter, allereerst het bestrijden en bestraffen van onrecht. Het is belangrijk dat recht wordt gedaan aan slachtoffers van misdrijven en dat er, in balans met andere strafdoelen, ruimte is voor vergelding en maatschappelijke genoegdoening. Voor een effectieve strafrechtketen is maatschappelijk draagvlak onmisbaar. Hier ziet de ChristenUnie dat er een bepaalde emotie, of in de woorden van de Raad voor de rechtspraak: maatschappelijk onbegrip, leeft in de samenleving. Zorgelijk wellicht, maar ook ontzettend begrijpelijk, want het valt niet goed uit te leggen dat daders van zware misdrijven als moorden en verkrachtingen vele jaren voor het einde van hun straf alweer buiten mogen rondlopen. Het lijkt erop dat de strafduur automatisch met een derde wordt ingekort. Dit wetsvoorstel kan een betekenisvolle stap zijn, juist om de samenleving te laten zien dat onrecht wordt bestraft en om meer recht te doen aan het rechtvaardigheidsgevoel van slachtoffers en nabestaanden.

Toch moet ook de minister de reacties van rechters op deze wet hebben gezien. Zij geven bijvoorbeeld aan dat zij momenteel bij het toekennen van de strafmaat al rekening houden met de bruto en netto strafduur. Wetende dat met de voorliggende wijziging de voorwaardelijke invrijheidstelling pas later in de straf aan de orde komt, zal in overweging genomen kunnen worden om minder lange straffen op te leggen. De ChristenUnie-fractie respecteert het dat rechters hierin hun eigen afweging maken. Ook zij zoeken immers een balans tussen de verschillende doelen van ons strafrecht. Wij vinden het wel van belang dat we weten wat de gevolgen van deze wet in de praktijk zijn, ook aan de voorkant van de strafketen. Kan de minister toezeggen hierover te rapporteren in evaluaties, maar misschien ook eerder?

Sowieso ziet mijn fractie dat er in de onderliggende stukken een aantal malen wordt verwezen naar de evaluatie. Tegelijkertijd is er geen evaluatiebepaling opgenomen in het wetsvoorstel. Dat is wellicht lastig, omdat deze wet voornamelijk effect heeft op langdurige straftrajecten en niet alle effecten binnen twee of drie jaar zichtbaar zullen zijn, terwijl de gevolgen voor de celcapaciteit, het OM en de reclassering wellicht in een eerder stadium aan het licht komen. Kan de minister aangeven hoe hij het evaluatietraject van deze wet voor zich ziet? Is het daarbij denkbaar dat de evaluatie in verschillende fases plaatsvindt?

Voorzitter. Een ander direct gevolg waar ook in de nota naar aanleiding van het verslag op wordt ingegaan, is de celcapaciteit. De minister geeft aan dat op basis van de PMJ-ramingen in 2023 zo'n 350 plaatsen extra verwerkt zijn. Is er ook een specifieke inschatting gemaakt voor de periode daarna, te meer omdat pas na afronding van de overgangsperiode echt volledig duidelijk zal worden wat dit betekent voor de capaciteit? En maakt het hierin nog verschil dat de extra benodigde capaciteit vooral zal moeten worden gebruikt voor langdurige gestraften die een ernstig vergrijp hebben gepleegd? Graag een reactie.

Voorzitter. De tweede pijler die ik noemde is het beschermen van de samenleving en het voorkomen van recidive. Kan de minister reflecteren op de vraag hoe hij de overheidsverantwoordelijkheid ziet om de samenleving te beschermen op zo'n wijze dat ook na de detentieperiode het gevaar op recidive zo klein mogelijk is? Wat is daarin wat hem betreft de meerwaarde van de voorwaardelijke invrijheidstelling?

Ik noem bewust de fase na de detentieperiode, want daar ligt voor de ChristenUnie een grote zorg. Deze zorg wordt gedeeld door vrijwel alle instanties die ons van input voor dit wetsvoorstel hebben voorzien. Is de periode van maximaal twee jaar voorwaardelijke invrijheidstelling ook voor de groep langdurig gestraften lang genoeg om te re-integreren? Ik zie dat de minister verwijst naar onderzoek van de Erasmus Universiteit dat aangeeft dat voorwaardelijke invrijheidstelling bij bijzondere voorwaarden tussen 2012 en 2016 gemiddeld anderhalf tot twee jaar betrof. Tegelijkertijd stelt datzelfde onderzoek dat die periode in de toekomst waarschijnlijk gaat oplopen. Heeft de minister die constatering meegewogen? In hoeverre is dit aantal representatief voor gedetineerden met een strafmaat van langer dan zes jaar?

De minister stelt veel vertrouwen in de persoonsgerichte benadering om gedetineerden al tijdens hun verblijf in de penitentiarie instelling voor te bereiden op de periode daarna. Maar blijft de aansluiting daarvan op de voorwaardelijke invrijheidstelling wel geborgd, ook als de periode vi is gemaximeerd op twee jaar? Heeft de minister er zo veel vertrouwen in?

De andere mogelijke keerzijde van de periode van twee jaar is dat gedetineerden calculerend gedrag gaan vertonen om verlenging van de voorwaardelijke invrijheidstelling, en dus voorwaarden aan de vrijheid, ook na afloop van de detentieperiode te mijden. De minister geeft aan dat hij niet verwacht dat dit zal optreden. Mijn fractie ziet dit echter wel als reële mogelijkheid. Is de minister het met mij eens dat koste wat kost voorkomen moet worden dat juist de zware criminelen vrijkomen zonder enige periode van re-integratie of vrijlating onder voorwaarden? Zou dat niet juist een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de samenleving zijn? Mocht nu blijken dat er toch een verkeerde inschatting is gemaakt, wil de minister dan toezeggen dat hij bij het eerste signaal van calculerend gedrag de Kamer informeert en andere of aanvullende maatregelen overweegt?

Ten derde. Kan de minister verder in kaart brengen welke mogelijkheden hij ziet om eventueel calculerend gedrag verder te ontmoedigen? Ook hier weer de vraag op welke wijze dit in een evaluatie zal terugkomen.

Voorzitter. De derde pijler is het bieden van ruimte voor resocialisatie en herstel. Bij rechtvaardig straffen hoort immers ook dat er na het uitzitten van de straf ruimte is voor een nieuwe start. Waar passend en mogelijk moet hier al tijdens de detentieperiode aandacht voor zijn. Dat lijkt ook te gebeuren met de re-integratiedoelen waarmee gewerkt gaat worden. Mijn fractie is blij om te zien dat ook het herstellen van contact met familie en het oefenen van wonen in gezinsverband hieronder vallen en dat daarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie-Van der Graaf, waarin dit werd beoogd. Ook op dit punt heeft mijn fractie enkele vragen.

Juist de doelgerichte aanpak kan voor gedetineerden met een verstandelijke beperking, bij wie het onderscheid tussen niet willen en niet kunnen niet zo gemakkelijk te maken valt, lastig liggen. De minister geeft aan dat hiervoor oog zal zijn, maar erkent hij ook dat juist bij mensen met een licht verstandelijke beperking lastig te bepalen is of er sprake is van onwil of onvermogen? Zijn er op dit moment genoeg mogelijkheden om, ook als na verloop van tijd in detentie een beperking of stoornis aan het licht komt, nog maatwerk toe te passen in het detentie- en re-integratieplan? Dit plan wordt immers aan het begin van de gevangenisstraf opgesteld. Hoe gaat de bijstelling van die individuele plannen in de loop van de detentie plaatsvinden? Wordt dat enkel een administratieve werkelijkheid die vervolgens het doel mist, of gaan wij hier echt omschakelen naar een persoons- en casusgerichte benadering? Heeft de minister er vertrouwen in dat deze verandering ook praktijk wordt? En heeft de minister de juiste en ook voldoende mensen in dienst om dit ook daadwerkelijk te gaan doen?

Als laatste nog één belangrijk punt dat mijn fractie wil maken. Nu er een intensivering komt van het bestraffen en er doelgericht toegewerkt wordt naar re-integratie in de gevangenis, is het ook van belang dat buiten de gevangenismuren aandacht is voor resocialisatie en herstel. Daarbij wijs ik nadrukkelijk op het regeerakkoord, waarin gesteld wordt dat bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen resocialisatie en reclassering steviger zullen worden gepositioneerd en dat er niet alleen zal worden geïnvesteerd in professionals, maar dat er ook meer aandacht en ruimte komt voor vrijwilligerswerk. Op welke manier gaat de minister hier straks, met deze wet in de hand, uitvoering aan geven? Op welke manier organiseert en ondersteunt hij straks de mensen die in onze samenleving tijd en energie willen steken in medemensen die hun straf hebben uitgezeten en aan wie zij een helpende hand willen toesteken? Wij zijn blij met ieder initiatief en zien graag dat de minister hier ruimhartig steun aan geeft.

Tot slot. Ik heb nog zeven minuten, maar die ga ik niet volmaken. Ik sluit af met een ander citaat uit hetzelfde beginselprogramma waarmee ik begon. "In deze gebroken wereld zijn wij allen geroepen tot de vrede en tot het recht. Wie zoekt naar recht en vrede, blijft niet hangen in passieve pleidooien. Recht doen betekent je inzetten voor een menswaardig bestaan voor de ander. Vrede zoeken betekent blijven werken aan verzoening in een wereld vol conflicten." Die actieve zoektocht naar vrede, recht en verzoening, wens ik de minister en ons allen van harte toe.

De voorzitter:
Hartelijk dank.

Meer informatie

Labels
Bijdragen
Justitie
Nico Drost

« Terug

Archief > 2019 > juni