WGO Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs

maandag 09 november 2020 00:00

Kamerstuk 35352

Bijdrage aan een wetgevingsoverleg met minister Slob voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media

De heer Bruins (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Burgerschapsvorming is een belangrijke opdracht voor het onderwijs en het is onlosmakelijk verbonden met school-zijn. Het zit verweven in hoe je met elkaar omgaat en in alle lessen en gesprekken. De hele dag door komen opvattingen aan de orde en worden dilemma's voelbaar. Burgerschapsvorming zit dus niet alleen in de overdracht van kennis, maar juist ook in de vorming van sociale en morele competenties. Deze vormingstaak is een cruciale taak voor scholen en een onlosmakelijk onderdeel van de schoolpraktijk — iedere dag!

Juist nu, in een tijd waarin individualisering en polarisatie toenemen en waarin sociale media de dominante bron van nieuwsgaring lijken te zijn, is burgerschapsvorming van groot belang. Sociale cohesie is niet vanzelfsprekend en als het gaat over goed en kwaad, dan is het jouw waarheid tegenover de mijne. In Frankrijk hebben we recent weer een gruwelijk voorbeeld gezien van hoe vrijheid en het vrije woord bedreigd worden. Ook in Nederland staat die vrijheid onder druk en daarom is burgerschap van groot belang om te leren inzien dat we met al onze verschillen toch samen sterk kunnen staan als samenleving. Leerlingen moeten in staat worden gesteld om zelfstandig tot kritische meningsvorming en waarheidsvinding te komen, de democratische rechtsstaat te doorgronden en een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving. Leraren moeten daarbij volop onze steun krijgen om alle onderwerpen in de klas aan te kaarten en in alle vrijheid en veiligheid hun werk te doen. Het is goed dat met dit wetsvoorstel de burgerschapsopdracht verduidelijkt wordt en dat het daarmee nadrukkelijk aandacht krijgt op scholen. Ook is het goed dat het wetsvoorstel meer handvatten biedt om in te grijpen als scholen de grenzen van de democratische rechtsstaat te buiten gaan.

Maar, voorzitter, ik heb ook zorgen. Dit wetsvoorstel past in een jarenlange trend waarin we steeds meer van het onderwijs verwachten. Voor alles wat er mis kan gaan in de samenleving kijken we naar scholen en leraren om het voor ons op te lossen. En ja, natuurlijk is het funderend onderwijs ook een belangrijke en misschien wel de belangrijkste plek waar jongeren worden voorbereid op de maatschappij, maar laten we niet vergeten dat de school niet alles kan. Het is belangrijk dat kinderen opgroeien in sterke, veilige en stabiele gezinnen en er ligt ook een taak, een grote taak, bij verenigingen en maatschappelijke organisaties. Zij vormen het weefsel van de samenleving en op die plekken krijgt gezamenlijkheid vorm. Laten we dus niet alles afschuiven op de school als het gaat om burgerschapsvorming, maar beseffen dat dat nooit kan zonder de steun van de ouders en andere betrokken actoren.

Goed burgerschapsonderwijs is afhankelijk van professionele leraren en schoolleiders. We kunnen van alles opschrijven in wetten, we kunnen standaarden en methoden ontwikkelen en inzetten op handhaving, maar veel in het leven is niet maakbaar en niet meetbaar. Veel belangrijker is het om in te zetten op de pedagogische dimensie, op het professionaliseren, opleiden en ondersteunen van leerkrachten. Deelt de minister die opvatting en hoe ziet hij dat voor zich?

In zijn brief van vorige week naar aanleiding van de aanslag op Samuel Paty onderstreept de minister het belang van het ondersteunen van leraren. Hij geeft aan dat er ondersteuningsaanbod beschikbaar is, maar de ondersteuning van de sectorraden loopt maar tot volgend jaar. Wat mijn fractie betreft moet dit met deze verduidelijking en uitbreiding van de burgerschapsopdracht nu ook structureel worden. Ik overweeg een motie op dit punt.

Voorzitter. Sterke scholen zijn scholen die een hechte waardengemeenschap vormen en waar leraren, leerlingen en ouders samen bewust werk maken van hun identiteit. Deze scholen ademen de burgerschapsopdracht in al hun doen en laten. Scholen hebben een grote mate van vrijheid in hoe zij het onderwijs invullen. Dat kan vanuit een pedagogisch-didactische filosofie zijn, of vanuit een levensbeschouwing. De minister schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag ook duidelijk dat die vrijheid met dit wetsvoorstel behouden blijft. De minister geeft aan dat de inspectie terughoudendheid zal betrachten als het gaat om het toezicht op wat scholen vinden en hoe zij het burgerschapsonderwijs inhoudelijk invullen. En dit is een essentieel punt voor mijn fractie. De ChristenUnie vindt het van cruciaal belang dat de inspectie zich niet inhoudelijk uitspreekt over de keuzes die scholen maken bij het invullen van de burgerschapsopdracht. In lijn met artikel 23 gaat het toezicht immers alleen over wát scholen moeten doen en niet hóé ze het doen.

Scholen moeten hun leerlingen bijbrengen wat het betekent om in een pluriforme samenleving en een democratische rechtsstaat te leven, maar daarbij hebben ze alle ruimte om vanuit de eigen overtuiging en visie het onderwijs vorm te geven. Daarbij moet mij iets van het hart als het gaat om de in het wetsvoorstel genoemde basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Terecht dat het burgerschapsonderwijs daarover gaat, maar woorden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit hebben een spectrum aan contextafhankelijke betekenissen, die eenieder kan uitleggen binnen zijn eigen mens- en maatschappijvisie. Ik geef een voorbeeld. De een vindt het ultieme vrijheid dat je een joint mag roken. De ander vindt het juist solidair om de ander daar met een verbod tegen te beschermen.

Het is belangrijk dat de overheid blijft toetsen op de deugdelijkheid van het onderwijs, maar zich niet laat verleiden tot het beoordelen van de onderliggende visie op mens en maatschappij. Een overheid is immers nooit neutraal in zichzelf. Die neutraliteit komt juist tot stand door het voor de wet gelijk behandelen van ieder mens en iedere opvatting die past binnen de grenzen van de wet. Een zeer terughoudende rol van de onderwijsinspectie is derhalve noodzakelijk bij het uitvoeren van deze wet. Het belang van dit punt wordt onderstreept door de Raad van State, die aangeeft dat "voorkomen moet worden dat de inspectie een eigen interpretatieve koers gaat varen en aan de hand van die koers conflicten over de invulling van de burgerschapsopdracht ontstaan".

De voorzitter:
Meneer Bruins. Uw opmerkingen gaven aanleiding tot een interruptie van de heer Van Meenen van D66.

De heer Van Meenen (D66):
Ik zou even met de heer Bruins willen kijken naar het artikel dat vanochtend in Trouw verscheen over het Van Lodenstein College. Dat gaat over dit debat. Op die school dienen ouders een identiteitsverklaring te tekenen, waarin een homoseksuele levenswijze wordt afgewezen. Als die verklaring niet ondertekend wordt, is een leerling niet welkom. In het artikel wordt dan ook een leerling aangehaald die dit allemaal heeft meegemaakt. Ik vraag me af hoe alles wat de heer Bruins hier zegt over vrijheden die mensen hebben, zich verhoudt tot wat hier gebeurt. Hoe kijkt hij daarnaar, in het licht van deze wet? Moet dit nu kunnen? Moeten ze nu, als deze wet is aangenomen, rustig door kunnen gaan op die school met het afwijzen van leerlingen? Of weegt hier toch het grondrecht dat je in Nederland homoseksueel mag zijn, zwaarder?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik mijn kinderen niet naar een school zou sturen die een dergelijke verklaring vooraf van mij als ouder zou vragen. Tegelijkertijd weten de heer Van Meenen en ik dat dit gaat over de kwestie van acceptatieplicht en dat scholen, net zoals andere verenigingen, zoeken naar gezamenlijkheid in wie er zich bij de vereniging aansluit en wie niet. In die context kan je voorwaarden vooraf stellen. Of dit nu kan of niet, of dit de grenzen van wat wettelijk mag en wat niet, overschrijdt, zou ik bij een rechter neerleggen en niet zozeer bij de Tweede Kamer op dit moment.

De heer Van Meenen (D66):
Maar de rechter zal toetsen aan wetten en die wetten maken we hier. Het is goed om te weten dat de heer Bruins zijn kinderen niet naar die school zou sturen, maar dat is hier helemaal niet de kwestie. De kwestie is of je je kind naar school mag sturen. Dat wij van mening verschillen over of er wel of niet een acceptatieplicht moet zijn, dat is duidelijk. Maar een acceptatieplicht gaat over het al dan niet onderschrijven van een identiteit van een school. Maar hier wordt nog een aparte verklaring, een aparte verklaring over het afwijzen van homoseksualiteit gevraagd. Vindt de heer Bruins dat dat past in het kader van de acceptatieplicht?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Het is toch goed er even op te wijzen dat deze wet niet gaat over de acceptatieplicht van scholen, maar gaat over hoe scholen de burgerschapsopdracht invullen. We zien regelmatig gebeuren in deze tijd dat er een oordeel wordt geveld over de mens- en maatschappijvisie van scholen. Dat gebeurt in de samenleving, in de politiek, en ook door de inspectie. Het is een soort van dominante waardenopvatting van dat wat correct wordt gevonden. Er is weinig ruimte voor minderheidsstandpunten. Als het gaat om burgerschapsonderwijs, moeten scholen de pluriformiteit van de samenleving meegeven aan de kinderen, aan de leerlingen, en ook duidelijk maken hoe leerlingen zich daartoe verhouden. Zo moeten ze worden opgevoed en gevormd tot volwassenen die zich in de maatschappij staande houden. Daarbij moet de school zich volledig binnen de grenzen van de wet bewegen. Dat lijkt me waar de school zich aan moet houden en waar we hier ook naar kijken.

De voorzitter:
De heer Van Meenen, nog een keer?

De heer Van Meenen (D66):
Ja, voorzitter, afrondend. Deze wet gaat nu juist bepalen waar scholen zich aan moeten houden. Dit is de wet die gaat over wat er op school in grote lijnen behandeld gaat worden. Er staan hoogdravende teksten in deze wet over de grondwettelijke vrijheden die er zijn, dat artikel 1 van de Grondwet helder moet zijn. Ik hoef de heer Bruins niet uit te leggen wat daar allemaal in staat. Vindt de heer Bruins het dan niet strijdig dat met deze wet, alleen met de wet die wij hier voor ons hebben, blijkbaar de toegang wordt geweigerd aan leerlingen en hun ouders die niet onderschrijven dat homoseksualiteit zondig is? Wat gaat er dan op die school nog onderwezen worden over artikel 1? Daar ben ik dan zeer nieuwsgierig naar. Ik zou willen dat de heer Bruins daar ook nieuwsgierig naar is en niet zegt: daar moet alle ruimte voor zijn, ook binnen het kader van deze wet. Deze wet gaat wat mij betreft — zo lees ik hem — die ruimte beperken.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Artikel 1 garandeert dat voor de wet iedereen in gelijke situaties gelijk behandeld wordt. Dat is enorm belangrijk. Dat is de basis van onze democratische rechtsstaat. Ik zie dat dit wetsvoorstel ook gebaseerd is op die waarden van de democratische rechtsstaat. De heer Van Meenen hoeft natuurlijk zijn kinderen niet naar die school te sturen. Ik zou mijn kinderen er ook niet naartoe sturen. Ik zou het ook met die opvattingen niet eens zijn. Toch wil ik wel het verdedigen van minderheidsstandpunten ook deel laten uitmaken van de democratische rechtsstaat. Dat is daar natuurlijk ook onderdeel van.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bruins. Dan heeft mevrouw Westerveld ook nog een vraag voor u.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik wil het iets breder trekken dan alleen wat er op die school gebeurt. De heer Bruins zei dat waarden op een verschillende manier worden geïnterpreteerd. Volgens mij is dat niet het punt. Het punt is dat de vrijheid van onderwijs in sommige gevallen wordt gebruikt om de eigen overtuiging of de eigen interpretatie op te leggen, terwijl die tegen andere waarden ingaat en zelfs tegen wetten ingaat. Ik wil de heer Bruins vragen of hij het met me eens is dat in ieder geval de inspectie daar wel op zou mogen toetsen. Dan houden ze zich niet bezig met de inhoud, maar wel met wat we in onze wet- en regelgeving met elkaar hebben afgesproken.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ja, de inspectie moet toetsen of er deugdelijk onderwijs is en of dat wat er gebeurt, binnen de grenzen van de wet beweegt. Ik vind niet dat de inspectie moet toetsen wat de eigen interpretatie of de eigen opvatting van een school of van een leraar is. Ouders hebben het recht om een school te kiezen die past bij de opvoeding van de kinderen. In een opvoeding zitten altijd eigen opvattingen en eigen interpretaties. Dat is de kern van kinderen opvoeden. Ik heb mijn kinderen ook opgevoed met bepaalde opvattingen en bepaalde interpretaties. Wanneer ze volwassen worden, dan mogen ze die loslaten. Dat is wat volwassen zijn betekent. Maar iedere ouder heeft wel het recht om een school te zoeken en te vinden bij de opvoeding. Dat is nou juist de kern van onderwijsvrijheid. Daar staat de ChristenUnie ook voor.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Het klopt dat we met elkaar hebben afgesproken dat ouders een school kunnen zoeken die bij hun eigen opvattingen en waarden past. Dat is ook goed geregeld. Maar hier gaat het natuurlijk nog wat verder. Hier gaat het over opvattingen die soms tegen andere wetten en regels ingaan. Ik wil die discussie even loslaten, maar ik wil wel aan de heer Bruins vragen of hij het met mij eens is dat je door het hebben van extreme waarden over bijvoorbeeld het uitsluiten van een homoseksuele relatie, leerlingen in een positie zet waarin ze niet veilig zijn, waarin ze niet zichzelf kunnen zijn en waarin ze daar niet open met elkaar over kunnen spreken, terwijl we ook de wet Veiligheid op school hebben, die zegt dat er op scholen een veilig schoolklimaat moet zijn.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Mevrouw Westerveld en ik zijn het eens: ieder kind heeft het recht op een veilige schoolomgeving. Ook een kind met homofiele gevoelens moet veilig zijn op iedere school in Nederland. Dat gesprek moet open gevoerd kunnen worden. Het mag niet zo zijn dat een school een klimaat vormt waarin kinderen met hetero- of homofiele gevoelens zich niet veilig voelen. Dat mag gewoon niet, dus daarover zijn we het eens.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bruins. Er is nog een vraag van meneer Beertema van de PVV.

De heer Beertema (PVV):
Ik was iets te laat, voorzitter. Mijn excuses daarvoor, maar de tunnel was dicht. Dus misschien heeft meneer Bruins er al iets over gezegd. Ik vond het een mooie bijdrage tot nu toe, maar ik heb niks gehoord dat we tien à twintig jaar geleden ook al niet hoorden. Het gaat over een acceptatieplicht en dat soort dingen — de collega's interrumperen daar ook op — maar de situatie is nu fundamenteel anders. De actualiteit wordt nu gedomineerd door wat er gebeurt op scholen met islamitische leerlingen. Er was een aanslag in Frankrijk, een onthoofding van een leraar, en er zijn ook leraren in Nederland die worden bedreigd. Daar is uw bijdrage tot nu toe geen antwoord op. Komt dat nog, meneer Bruins?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik heb inderdaad eerder in mijn bijdrage iets gezegd over Samuel Paty. Ik zie de gebeurtenissen in Frankrijk en in Rotterdam als een bevestiging van de noodzaak van deze wet. Er is echt iets aan de hand in Europa en in Nederland, in de samenleving. Een stevigere verankering van burgerschapsonderwijs, en wat we daaronder verstaan, en het vastleggen van de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat moeten leraren een steun in de rug geven om sterker te staan, want leraren verdienen onze volledige steun, zonder reserve.

De voorzitter:
Is uw vraag voldoende beantwoord?

De heer Beertema (PVV):
Nee. Dit debat verzandt toch weer in oude dogma's: ouders hebben de vrijheid om te kiezen voor een school die past bij de opvoeding. Maar ik stel vast dat dat wat de ChristenUnie betreft ook geldt voor islamitische ouders. Die kunnen kiezen voor islamitische scholen, openbare scholen of wat voor scholen dan ook, aangevuld met koranonderwijs enzovoort. Die ouders hebben die vrijheid wat de ChristenUnie betreft, maar daar wordt segregatie en intolerantie onderwezen. Misschien gebeurt dat niet in het officiële curriculum, maar het gebeurt wel daaromheen. We hebben de resultaten daarvan gezien en die resultaten worden alsmaar erger. Wat moeten we daar dan voor antwoord op formuleren wat betreft de ChristenUnie?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik verdedig het recht van eenieder om zijn of haar minderheidsstandpunten te ventileren, te bespreken en te onderwijzen, maar segregatie en intolerantie horen daar niet bij.

De voorzitter:
Ik stel voor dat u doorgaat met uw betoog, meneer Bruins.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. De inspectie had het in een recent rapport over scholen die afwijken van de mainstream. Daar schrok ik van. Ik vind het moeilijk als de inspectie het woord "mainstream" gaat gebruiken, want ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de waarden en normen die zij hun kinderen thuis willen meegeven, ook op school op begrip kunnen rekenen. Daarbij is het van belang dat leerlingen goed meekrijgen dat er ook andere opvattingen zijn in onze samenleving, dat iedereen gelijk is voor de wet en dat iedereen de vrijheid heeft om die opvattingen te hebben en te ventileren. Maar het kan niet zo zijn dat alle scholen de mainstreammensvisie van de inspectie moeten prediken, die op enig moment al dan niet toevallig de mainstreammensvisie in de maatschappij is. Kan de minister dit bevestigen? Hoe gaat hij borgen dat de inspectie daadwerkelijk terughoudend zal zijn als het gaat om de invulling van het onderwijs door scholen en om de vaardighedencomponent? En kan de minister nog eens bevestigen dat de Grondwet het uitgangspunt vormt voor de in het wetsvoorstel genoemde basiswaarden van de democratische rechtsstaat, dat de godsdienstvrijheid en de onderwijsvrijheid daarvan onverkort deel uitmaken en dat dit dus ook het kader zal zijn bij het toezicht door de inspectie? Het is van belang dat de minister hier duidelijke woorden over spreekt in dit debat, omdat wat wij hier wisselen ook bepalend is voor hoe de inspectie het toezicht op dit punt gaat vormgeven. Ik vraag de minister dus om klare wijn te schenken over de reikwijdte van het toezicht.

Tot slot, voorzitter, nog een vraag over de samenhang tussen dit wetsvoorstel en de herziening van het curriculum. We scherpen met deze wet de burgerschapsopdracht aan, maar de kerndoelen en de eindtermen worden pas over een aantal jaren vastgesteld. Dat kan een bron van onduidelijkheid zijn, zo schrijft ook de Raad van State. Ik citeer: "Gelet op de complexiteit van het burgerschapsbegrip en het voorshands ontbreken van kerndoelen en eindtermen verwacht de afdeling dat het ook voor de inspectie in het kader van het toezicht erg lastig zal zijn om te beoordelen of aan de betreffende eisen wordt voldaan." Hoe ziet de minister dit? Kan hij garanderen dat ook bij de kerndoelen en de eindtermen terughoudendheid wordt betracht als het gaat om de invulling van het burgerschapsonderwijs? Net als bij het inspectietoezicht vindt mijn fractie het van groot belang dat scholen de ruimte houden om dit passend bij de eigen identiteit in te vullen en dat de vrijheid van onderwijs daarbij geëerbiedigd wordt.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bruins. Meneer Van Meenen?

De heer Van Meenen (D66):
Heel kort, over dat laatste wat de heer Bruins zei. Ik ben het wel met hem en met de Raad van State eens dat de invulling van het curriculum nog op zich laat wachten en dat dat leidt tot onduidelijkheid. Maar vervolgens komt de heer Bruins met zijn conclusie, die mij in de oren klinkt als: laat die onduidelijkheid vooral blijven bestaan, want we moeten terughoudend zijn met het invullen van het curriculum. Dus wat is het nu, vraag ik de heer Bruins. Gaan we nou duidelijkheid scheppen via het curriculum of blijft de onduidelijkheid, de algemeenheid, zoals die in deze wet bestaat, gewoon in stand, ook als het curriculum daar is?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik hoopte dat mijn lange inleiding op weg naar die vragen dat duidelijk maakte. Wat ik heb gezegd, is dat het niet zo kan zijn dat dat wat toevallig op dit moment de mainstreammensvisie in de samenleving is, dwingend wordt opgelegd aan alle groepen in onze samenleving. Dat zou geen recht doen aan de pluriformiteit van de Nederlandse samenleving. Dus ook hierbij bepleit ik, net als bij het toezicht, dat wij dan als politiek gaan over het wat, maar niet over het hoe. Ik denk dat we dat heel duidelijk hebben vastgelegd en dat meneer Van Meenen en ik wat dat betreft ook wel samen door één deur passen.

De heer Van Meenen (D66):
Dat laatste waag ik te betwijfelen, maar dat gaan we te zijner tijd dan wel zien.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bruins.

Labels
Bijdragen
Eppo Bruins
Onderwijs

« Terug

Archief > 2020 > november