Bijdrage Arie Slob plenair hoofdlijnendebat rapport commissie-Scheltema

donderdag 01 juli 2010 10:00

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal is een aantal spreekwoorden terug te vinden waarin het woord "bank" voorkomt. Deze spreekwoorden refereren allemaal aan het betrouwbare, solide imago van banken. Helaas moeten wij met elkaar constateren dat dit imago van degelijkheid en betrouwbaarheid in onze tijd onder druk staat.

Het is mijns inziens dan ook niet voor niets dat er de afgelopen tijd diverse onderzoeksrapporten over het functioneren van de bancaire wereld zijn verschenen. Denk aan het rapport van de commissie-Maas, het rapport van onze eigen commissie-De Wit en nu het rapport van de commissie-Scheltema. Laatstgenoemde commissie heeft onderzoek gedaan naar de gang van zaken rond de DSB Bank. Het rapport van deze commissie is naar het oordeel van de fractie van de ChristenUnie messcherp in zowel de analyse als de conclusies. Ook van onze kant complimenten aan het adres van professor Scheltema en zijn mensen voor het werk dat zij hebben verricht.

Gezien de beperkte spreektijd -- bovendien gaat het om een hoofdlijnendebat -- concentreer ik mij op de beoordeling in het rapport van zowel de DSB Bank als de Nederlandsche Bank. De commissie is duidelijk over het functioneren van de leiding en de organisatie van de DSB Bank. Met name het oordeel over de voorzitter van de raad van bestuur en gelijktijdig directeur grootaandeelhouder is snoeihard. Dat geldt ook voor het functioneren van de raad van commissarissen.

Het beeld ontstaat van een organisatie en van mensen die op een onverantwoorde manier "bankje aan het spelen" geweest zijn, met alle gevolgen van dien voor het aanzien van banken in het algemeen, maar ook voor de positie van degenen die cliënt bij deze bank waren. Op dit moment denk ik onder meer aan de cliënten met een zogenaamd achtergesteld deposito, gisterenavond onderdeel van de hoorzitting. Wat is, met het rapport van de commissie-Scheltema in de hand, het oordeel van de minister over de positie van deze mensen?

Niet voor niets zoomt de commissie-Scheltema vooral in op het optreden van de toezichthouders. De commissie is hard in haar oordeel over het functioneren en optreden, misschien beter gezegd: het niet-functioneren en niet-optreden van de Nederlandsche Bank? Zo had het met de kennis van nu en met de kennis van toen beter gemoeten. Aan DSB had nooit een bankvergunning verleend mogen worden. De commissie is ook duidelijk in haar oordeel over het lopende toezicht nadat de vergunning verleend was. De Nederlandsche Bank is goed op de hoogte geweest van de ontwikkelingen bij de DSB Bank, heeft deze ontwikkelingen doorgaans ook goed beoordeeld, maar is in haar optreden niet daadkrachtig genoeg geweest. De Nederlandsche Bank heeft, zo oordeelt de commissie, te weinig haar tanden laten zien. Dergelijke oordelen moeten als zweepslagen bij de Nederlandsche Bank zijn aangekomen. Ogenschijnlijk met enige moeite liet de heer Wellink dat gisterenavond ook blijken.

In de brief spreekt de minister zijn volle vertrouwen uit in de directie van de Nederlandsche Bank. Eerlijk gezegd gaat mij dat allemaal iets te snel. Ik vraag de minister dan ook waar dat volle vertrouwen op gebaseerd is. Dat kan toch niet alleen zijn basis vinden in het feit dat ook de directie van de Nederlandsche Bank uitspreekt dat er lessen getrokken moeten worden uit de DSB-geschiedenis? Zo motiveert de minister het wel in de brief. Graag een nadere toelichting.

Ik vraag de minister ook nader uiteen te zetten waar de door hem noodzakelijk geachte cultuurverandering bij de Nederlandsche Bank uit zou moeten bestaan. Ik denk dat wij ervoor moeten oppassen dat wij niet in allerlei wollige cultuurdiscussies terechtkomen. Is dat nu echt het antwoord op de gesignaleerde problemen? De conclusie van de minister dat uit het rapport blijkt dat een cultuurverandering binnen de Nederlandsche Bank wenselijk is, werd gisterenavond in ieder geval niet door de heer Scheltema gedeeld. Zelf ben ik het ook niet tegengekomen in het rapport. Alles wat over cultuur en cultuurverandering gaat, heeft met DSB te maken, en niet met de DNB. Vandaar mijn vraag: hoe is de minister tot zijn conclusie gekomen?

Deelt de minister mijn mening dat het doorvoeren van cultuurveranderingen door mensen die zelf jarenlang verantwoordelijk geweest zijn voor een ontstane cultuur, in de praktijk vaak erg lastig, zo niet onmogelijk is? Juist nu, bij het herstellen van de grote imagoschade van de Nederlandsche Bank mag er geen enkele twijfel zijn over de personen die hiervoor een verantwoordelijkheid dragen. De Kamer gaat hier uiteindelijk niet over, zoals de heer Weekers eerder terecht opmerkte. De eerlijkheid gebiedt mij echter te zeggen dat mijn fractie zich sterk afvraagt of in deze fase de heer Wellink de persoon is die dit proces moet aansturen, hoezeer hij zichzelf ook als de belichaming van cultuurverandering ziet, zoals hij gisteren opmerkte naar aanleiding van een door mij gestelde vraag. Ik hoop dat het plan van aanpak ons wel zal overtuigen. De vraag is wel welke toetscriteria wij aan dit plan moeten verbinden om te kunnen zeggen: ja, hiermee kunnen wij verder. Of: nee, hiermee kunnen wij niet verder. Heeft de minister hier zelf al opvattingen over?

 

            Een punt van nadere aandacht zal ook de relatie tussen de toezichthouders DNB en AFM moeten zijn. Tijdens de verhoren van de commissie-De Wit gaf de president van de Nederlandsche Bank nog aan dat het naar zijn perceptie goed ging. De commissie-Scheltema oordeelt fijntjes dat de toezichthouders niet elkaars grootste bewonderaars zijn. Hoe gaat de minister bevorderen dat de relatie tussen deze twee toezichthouders, die elk hun eigen terrein hebben maar ook overlappingen kennen, in positieve zin versterkt wordt?

 

Labels
Arie Slob
Bijdragen

« Terug